Trekvaart Leiden - Haarlem
Met name 'Algemeen Nederland' bekeken
.
( H O O F D M E N U )

Wegwijzer
Bollenstreek
Holland in de 10e eeuw
De gracht van Corbulo
Strijen-Sas
Nijmegen
Arminius
De Hunnen
.
Maak 'n keuze..."




.
Historie Bollenstreek

  De geschiedenis van het Nederlandse kustgebied waarin de Bollenstreek zich bevindt, begint zo'n 8000 jaar voor Christus. De laatste IJstijd maakte plaats voor de warme periode (Holoceen) waarin we nu nog leven.
De gletsjers in Noorwest Europa en andere delen van de wereld hadden zich in de ijstijd zo sterk uitgebreid dat er zeer veel water aan de zee was onttrokken. De stand van de zeespiegel was tientallen meters lager dan nu. De Noordzee moet vrijwel geheel droog hebben gelegen.
.
  Nederland maakte deel uit van een enorme toendravlakte die enigszins naar het westen afhelde. Deze vlakte werd bevolkt door rendieren, holenberen, vogels, leeuwen, mammoeten en rinocerossen.
Vanaf het begin van het Holoceen werd het klimaat warmer, waardoor de gletsjers smolten en verdampten. De zeespiegel steeg en op het land ontstonden voor de kustlijn moerassige gebieden waarin veen werd gevormd. De oprukkende zee dreef deze zone steeds verder landinwaarts.
.
  Drieduizend jaar voor onze jaartelling steeg het water niet meer zo snel en werd op de kustlijn een strandwal gevormd. Doordat het zand verwaaide ontstonden hierop lage duintjes, die ook wel "oude duinen" worden genoemd. Op de oudste strandwallen liggen nu de dorpen Hillegom, Lisse en Sassenheim. Openingen naar de zee werden gevormd door de monding van de Oude Rijn en een zeegat ter hoogte van Heemstede. Vanaf die tijd ging de kust zich steeds verder zeewaarts uitbreiden waarbij nieuwe strandwallen werden gevormd.
.

.
  Het gebied achter de oude standwal veranderde eerst in een lagune waar nog wat klei werd afgezet. Nadat het gebied geheel was afgesloten, ontstond een uitgestrekt moeras waarin veen werd gevormd. Voor de monding van de Rijn vormde zich een delta. Deze delta reikte tot kilometers buiten de huidige kustlijn. In de twaalfde eeuw werd het kustgebied geteisterd door stormen. De kustlijn werd sterk aangetast, rechtgetrokken en landinwaarts verplaatst. De wind wierp het vrijkomende zand op de kust, waardoor zich in de twaalfde en zeventiende eeuw duinen vormden met vrij veel reliëf. Deze jonge duinen, de huidige kustduinen, sloten de monding van de Rijn geheel af. Ook bedekten ze een deel van het oude duinlandschap.
.
  Doordat de Rijn werd afgesloten, vloeide het Rijnwater zijwaarts tussen de duinenrijen. Dit leidde tot een overvloedige plantengroei, waardoor later weer veen werd gevormd. Deze veengronden voorzagen de bewoners van de Bollenstreek, die klein in aantal waren, van brandstof. Uiteindelijk ging de Rijn een zuidelijke richting volgen, door de Lek naar de monding van de Maas.
.

.
Het veen dat zich tussen en achter de strandwallen had gevormd werd vanaf de Middeleeuwen ontgonnen, afgestoken en uitgebaggerd voor de turfwinning.
De plassen die hierdoor ontstonden groeiden door erosie aan tot een groot meer, genaamd het Haarlemmermeer of Leidse Meer. In 1852 werd het meer drooggelegd.
.
Ontwikkeling van de Bollenstreek
.
  De komst van de Romeinen in 57 voor Christus is voor de Bollenstreek van groot belang geweest. De Romeinse legers moesten worden gevoed en gekleed. Er moest vervoer komen voor de akkerbouwproducten, vis, vlees en zuivel.
Van de Bollenstreek in de vroege Middeleeuwen is niet veel bekend. Leiden en Haarlem bleven respectievelijk tot in de negende en tiende eeuw gehuchten. Een enkele boerderij en dat was het dan.
Een groot bos dat "Hout" werd genoemd en waar de dorpen Voorhout en Noordwijkerhout hun namen aan te danken hebben, strekte zich uit van Alkmaar tot Sassenheim. De noord-zuid verbinding liep langs Rijnsburg, Noordwijk, Bloemendaal en Velzen.
.
  In de veertiende eeuw werd een directe verbinding tussen Haarlem en Leiden aangelegd en liep via Sassenheim, Lisse en Hillegom. De dorpen die nu samen de Bollenstreek vormen waren ambachten, bestuurd door een college van schout en schepenen. De graaf benoemde de Schout en deze werd tegen het einde van de zestiende eeuw steeds meer als de heer van het ambacht gezien.
.

.
De dorpen langs de verbindingsweg", genaamd de Heerenweg, tussen Haarlem en Leiden hadden een of meer herbergen. Veel reizigers kozen voor de postkoets in plaats van de gevaarlijke overtocht per schip over het Haarlemmermeer. Een van de bekendste, zelfs nog bestaande, herbergen is de "Oude Geleerde Man" in Bennebroek.
Hierbij moet worden vermeld dat een herberg van bijna gelijken naam: "De Geleerde Man" in Bennebroek ter wille van de aanleg van een straatweg in 1929 is afgebroken.
Echter, veel bronnen in de zeventiende eeuw vermelden deze herberg "De Geleerde Man" al. Ook "De Witte Zwaan" in Lisse was een bekende herberg.
.
  In de achttiende eeuw waren in de Bollenstreek veel klerenblekerijen gevestigd. Deze klerenblekerijen waren onder andere aanwezig in Vogelenzang, Katwijk, Oegstgeest, Heemstede en Bennebroek. Men neemt aan dat de ligging van de blekerijen verband houdt met de ligging van de grote steden. De blekerijen werden vooral door mensen uit Limburg, België en Westfalen opgezet.
.


.
  Het graven van de Trekvaart tussen Haarlem en Leiden geeft de Bollenstreek in 1657 een belangrijke impuls. Van de Nederlandse trekvaarten is de verbinding tussen Haarlem en Amsterdam de oudste (1636). Het lag voor de hand deze trekvaart in zuidelijke richting door te trekken naar Leiden. In februari 1657 werd begonnen met de aanleg van de trekvaart. De aanlegkosten waren begroot op 137.000 gulden. De trekvaart werd de belangrijkste verbinding tussen Haarlem en Leiden.
In 1804 veranderde deze positie omdat de weg tussen Haarlem en Leiden werd bestraat. De welgestelden besloten zich voornamenlijk per postkoets te gaan verplaatsen. Of wie het nog beter had huurde zelf een rijtuigje met paarden.
Halverwege de negentiende eeuw in 1842 werd de spoorweg tussen Haarlem en Leiden langs de trekvaart aangelegd. De spoorwegstations werden zo geplaatst dat het vervoer met de trekschuit nog nauwelijks plaatsvond. De trekschuit speelde nog slechts een rol in het plaatselijke verkeer.
In 1880 werd door de komst van de tram die tot na de Tweede Wereldoorlog reed, de genadeslag aan het transport per trekschuit toegebracht.
.


.
Bloembollen- cultuur
.
  Bolgewassen kennen we in Nederland al sinds de zestiende eeuw. Een Oostenrijkse botanist, Carolus Clusius genaamd, introduceerde de bloembollen in Vlaanderen en Holland. De eerste handelaren waren zogenaamde wortelsnijders die planten en bollen in Zuid-Europa verzamelden en hier te koop aanboden.
De tulp is afkomstig van de steppen en hoogvlakten van Midden-Azië, van waaruit zij naar Perzië en Turkije migreerde. De tulp was een van de eerste bolbloemen die in West- Europa de aandacht trok.
De bolgewassen waren aanvankelijk weggelegd voor welgestelden. In de zeventiende eeuw werden de bloembollen ook door apothekers verspreid. Aan het gewas werd in die tijd een geneeskrachtige werking toegeschreven. De apothekers legden voorraden aan en vormden daarmee de eerste aanzet tot de bloembollenhandel.
.
  De eerste export van bloembollen vond in het begin van de zeventiende eeuw plaats. Rond 1635 deed zich de zoganaamde "tulpomanie" of "tulpenwoede" voor. Steeds meer welgestelde personen wilden een of meerdere tulpen kopen.
De bloembol werd een beleggingsobject. Tussen 1634 en 1636 vertwintigvoudigden de prijzen zich. Voor een bloembol werd in deze tijd wel 5.000 gulden betaald.
In het begin van 1637 kenterde deze tulpomanie. De markt zakte als een kaartenhuis ineen en veel speculanten bleven berooid achter.
In de kunstwereld liet de "tulpomania" talloze stillevens na. Wie een tulp bezat liet deze kostbaarheid vereeuwigen. Kort na de "tulpomania" ontwikkelde Haarlem zich tot bollenstad.
In de achttiende eeuw was het algemeen bekend dat Holland het enige land was waar de bloembollen goed konden worden geteeld. De "huisbroei" , het 's winters in de woonkamer in bloei trekken van bloembollen, dateert al van 1731. In deze tijd waren er al enkele kwekers vanuit Haarlen uitgeweken naar Lisse, Noordwijk en Uitgeest. Van daaruit verkochten zij hun bollen aan Haarlemse bloemisten.
.
  De Franse Revolutie deed de sociale verhoudingen veranderen en stelde de "gewone mens" in staat bloemen en planten te kopen. Het Haarlemse bloembollendistrict werd door de grote vraag naar bloembollen in zuidelijke richting uitgebreid. Door de uitbreiding kwam een groot aantal bollen op de markt, waarbij de prijzen sterk werden verlaagd. Kwekers bevonden zich reeds in Lisse, Hillegom, Sassenheim, 'Noordwijk', Katwijk, Rijnsburg, Oegstgeest en 'Warmond'. In de laatste vier plaatsen betrof het vooral groentenkwekers voor wie de bollenteelt een nevenbedrijf was. De handel in bloembollen speelde zich voornamenlijk op openbare veilingen af. Er werden steeds minder bollen rechtstreeks aan particulieren verkocht. In de periode 1840-1860 trok de economie aan en steeds meer mensen gingen "in de bollen". Het centrum van de bollenhandel verplaatse zich geleidelijk in de richting van Hillegom en Lisse. Omstreeks 1930 waren alle bollenfirma's uit Haarlem verdwenen. Deze ontwikkeling werd ook gevoed doordat de grondwaterstand in de Bollenstreek zich verbeterde wat ten goede kwam aan de bloembollenteelt. In 1965 beschikte de bloembollencultuur in totaal over meer dan 13.000 hectare. Door de oprukkende verstedelijking, de Bollenstreek bevindt zich immers in de Randstad, bedraagt het bestaande bloembollenareaal slechts 3.000 hectare. Op dit moment worden stedelijke ontwikkelingen in de Bollenstreek geweerd. Aan niet agrarische ontwikkelingen wordt slechts de allernoodzakelijkste ruimte geboden. De zeven gemeenten van de Bollenstreek zijn Hillegom, Lisse, Sassenheim, 'Warmond', Voorhout, Noordwijkerhout en 'Noordwijk'. Voor Nederland is de Bollenstreek een centrum van kennis, handel, organisatie en initiatief dat behouden dient te worden. De zandgronden tussen Haarlem en Leiden zijn van onschatbare waarde gebleken voor de bloembollencultuur.

Geraadpleegde literatuur:
Met het oog op de Bloembollenstreek, Ed Olivier
Van wildernisse tot bollenstreek, Tom Lodewijk
Met oa. tekst overgenomen van:
(website) http://www.webbulb.nl en http://www.tcvogelenzang.nl

bollenstreek.pdf target=_blank>

  [down] Kaart Bollenstreek.  [up] 
(klik op de foto voor een vergroting)
Afb.(c) Min.Landb.Nat.Viss.


  [down]Kaart van Zuid-Holland (c.1600).  [up] 
Afb.(c) HHRSR
  Op een oude kaart, uit 1600, is de 'Leydsche Treck-vaert' nog niet zichtbaar, hij werd immers 56 jaar later, in 1656 aanbesteed en een jaar later in 1657 gegraven en in gebruik (op 1 november) genomen. De naam 'Leidse-vaart' duikt al eerder op in de archieven van Leiden, er wordt namelijk al in 1420 (24/12) en in 1447 (27/2) gesproken van een gebied dat die naam droeg.


  [down] Nostalgie op Historische plek.  [up] 
  Een zeiltjalk zoekt zijn weg over het aloude Norremeer, ter hoogte van de eeuwenoude 'Vogel Coy' op de Kager plassen bij Leiden.


  [down] De Laeckmolen uit 1632.  [up] 
Afb.(c) RVD
  Een foto van een heel oude molen, op het Lakereiland midden in de uitlopers van het Haarlemmermeer, de Kager Plas bij Leiden.
.


  [down] Als een schilderij uit verre tijden.  [up] 
Afb.(c) RVD
  Als je bovengeplaatste prent bekijkt waan je je in de vorige eeuw. Rustiek, landelijk gelegen mag je gerust van deze boerderij in c.2006 zeggen. Een plaatje, in een woord! Deze boerderij ligt tegenover de Kaagsocioteit, aan de Zijldijk bij de Kagerplassen.


  [down] Een tjalk zoekt zijn weg op het Norremeer  [up] 
Afb.(c) RVD
  Een nostalgische Tjalk varende op het Norremeer bij de Kager Plassen. Een historische plek, want achter de tjalk lag vroeger het (nu drooggelegde) Hem Meer, met daarachter de groene zoom (langs de A44) van het dorp Sassenheim.
.


  [down] De Damlooper op het Haarlemmermeer.  [up] 
Afb.(c) DB
  Een Damlooper zoekt zijn weg over het Haarlemmermeer. Deze boot was bij uitstek geschikt voor de meren met weinig diepgang door zijn platte bodem. Daardoor kon hij ook over de Vliet bij Leidschedam varen
hij werd met een takelconstructie aldaar over de dam getrokken. De Damlooper werd ook wel bodem- of bomschuit genoemd en was ook bijzonder in trek bij vissers op de zee.
.


  [down] De 'Veerkaghe' vol onder zeil, gravure van • Nicolaas Janszoen Visscher naar Jan Porcellis (c.1627).  [up] 
Afb.(c) MMR


Afb.(c) JH


.


.
C O N D I T I Ë N

.
  Conditiën, waarna de Heeren Commissarissen van het Zandpad tusschen Haerlem en Leyden presenteeren te verhuuren de Tollen, die aan yder der respective Tol-Hekken tusschen de twee voornoemde Steden moeten worden betaald.

Articul I.
  Den Huurder zal deswegens ontfangen volgens de Lyste hier navolgende, en wel aan yder Hek in 't byzonder, te weeten :
Een man te Voet een halve Stuyver.
De kinderen van twaalf Jaar of daar beneden tot zes Jaaren te betaalen halve Tollen, en onder de zes Jaaren vry te laten.
Een man te Paerd één Stuyver.
Van yder Paerd, Os, Koe of ander Hoorn-Beest, dat geleyd of gedreven word, een halve Stuyver.
Van yder Pink, Vaers, Kalf, Schaap of Varken 1/4 Stuyver.
En daarenboven van de Dryvers voor hunne Persoonen 1/5 Stuyver.

Wel verstaande, dat het verweyden der Beesten hierinne niet is begrepen, dewelke van haar ordinaris Weg zyn afgesneden.
Mitsgaders, dat het niemand als de Huyslieden, byzondere betrekking tot het zandpad hebbende, vry zal staan de voornoemde Weg met drift Varkens te passeeren.

Van een Koets, Wagen, Karre of Chaize één Stuyver.
Behoudelyk, dat yder Perfoon, zittende in de voornoemde Koets of op de Wagen, Karre of Chaize, daarenboven zal betaalen één Stuyver.
Des zal de Voerman of Knecht, die de Koets of de Wagen ment, daar vry van zijn.
.
Articul II.

  Den Huurder van het Tol-Hek aan de Haerlemsche zyde, zal daarenboven van yder Rytuyg den Boom aldaar passeerende, nog ontfangen eene Stuyver.
.
Articul III.

  Des is tot meerder encouragement en om een proef te neemen tot verbeetering van de Passagie langs de Trek-Weg, en over zulks tot meerder beneficeering der Tolle en Gabelle, goedgevonden en geresolveerd, dat de Tol of 't Weg-Geld, welke aan de Slagboom op Halfwegen tot nu toe by Collecte is geheeven, geduurende deeze zesjaarige Verhuuring niet zal worden gevorderd en voorschreve Slagboom ten dien einde voor alle en een iegelyk zal openstaan.
.
Articul IV.

  Van alle Schepen of Schuyten, het zy groot of kleyn, met of zonder Ladinge, door de trekvaart vaarende, het zy dezelve met de Lyn langs de 'Treck-wegh' getrokken of met de Boom gevaaren worden of niet, één Stuyver.
En van de zulken, die met een Paerd getrokken worden, twee Stuyvers.
Doch de Schippers en Knechts daarop zynde, zullen van de Tollen vry zyn, des niet te min zal van yder Persoon, in de voorschreve Schuyten zittende, ontfangen worden één Stuyver.
Onder de voorschreve Schuyten werden mede begrepen en zullen midsdien mede gehouden zyn den voorschreve Tol te betalen, de respective Markt- of Pak- Schuyten van Rotterdam, 's Gravenhage en andere Steden, de voorschreve Trekvaart passeerende, zonder dat nochthans de Passagiers, die in dezelve Schuyten zouden mogen werden overgevoert, voor hun Persoon de voorschreve Tol verschuldigd zullen zyn, als werdende de Gabellen voor dezelve Passagiers ten behoeve van den Huurder der Gabellen in de Trek-Schuyten goed gedaan en verantwoord.
De Jachten en ordinaris Veer-Schuyten van de beyde Steden, gelyk mede de Jachten van de respective Collegien, mitsgaders de Plaizier-vaartuygen van Lieden, hunne Buyten-Plaatsen aan de Trekvaart hebbende, als ook de Jachten van andere Steden (mits alvorens doende blyken, dat de Jachten van beyde de Steden Haerlem en Leyden van gelyke Vrydomme quaamen te gaudeeren) zullen hier van vry en exempt zijn.
Voorts zal van de andere Plaizier- of Tent-Schuyten, op de naast gelege Dorpen, de Trekvaart passeerende, en meerder als zes Persoonen inhebbende, ontfangen worden zes Stuyvers.
Doch minder Persoonen in hebbende zal van yder ontfangen één Stuyver.
Van yder Vlot-Hout, het geene de Vaart komt te passeeren, en zulks van yder lengte van een balk zo veel ér achtereen zoude mogen zyn, zal worden ontfangen 1/3 Stuyver.
En voor yder Paerd, waarmede hetzelve word getrokken, één Stuyver.

.
Articul V.

  Den Huurder zal zorge dragen, dat niemand met eenige Schepen of Schuyten in de voorschreve Trekvaart komt te Zeylen, met hoedanigen Zeyl het ook zoude mogen zyn, en zulks bevindende, de zodanigen vermogen af te vorderen een Boete van f. 3,00
.
Articul VI.

  Dezelve zal, zo veel in hem is, goede toezicht neemen, dat geen Schippers of Knechts van de Boere Schuyten eenig ander Volk komen te voeren, als hunne eygene Plaats, of eenig Volk uyt te zetten, of onderweg in te neemen, als op haar Dorpen en op de ordinaire Veer of aan de Tolhekken, en dezelven daarop bevindende, vermogen af te vorderen een Boete van zes Gulden, ten lasten van de Schippers, die zulks hebben gedaan.
.
Articul VII.

  Zal ook niet toelaten, dat iemand eenige Beesten, het zy Paerden of eenige Hoorn-Beesten langs den Dyk laat loopen, maar daarvoor te mogen afvorderen een Boete van 3 Gulden, en van yder Kalf 6 Stuyvers.
En den Eygenaar niet kunnende ontdekken, zal de zodanige Beesten in een Schut-Hok brengen, en dezelve aldaar van het noodige Voer bezorgen, tot dat den Eigenaar zig komt op te doen, van wien hy boven en behalven de Boete hier vooren vermeld, nog zal mogen afvorderen voor yder dag, dat die Beesten aldaar zullen hebben gestaan, twaalf Stuyvers.
Doch zal dezelve Beesten niet langer als acht dagen behoeven te bewaaren, en zig binnen dien tyd niemand als Eygenaar komende op te doen, dezelve vermogen te verkoopen, en daarvan aftrekkende de gemelde Boeten en Onkosten by hem gedaan, het overschot brengen ter Secretary der respective Steden, alwaar de Eygenaar hetzelve zal moeten zoeken.
.
Articul VIII.

  Den Huurder zal zorge moeten draagen, dat geen Schepen of Schuyten met staande Masten leggen in de Vaart aan de zyde van het Zandpad, en dit bevindende, de zodanige beslaan in eene Boete van ééne Gulden tien Stuyvers, ten waare by noodzakelykheyd in cas van Lossing of anderzins, in welk geval altoos zorg zal moeten worden gedraagen, dat de Lynen van de passeerende Schuyten behoorlyk worden overgegeeven.
.
Articul IX.

  Gelyk hy mede niet zal toelaaten, dat iemand zyn gezonken Schuyten in de Grond laat leggen, op eene Boete als boven.
.
Articul X.

  Item, dat niemand zyn Schuyten langs het jaagpad legge, zonder boven dezelve te stellen een bequaame Balie, op een Boete als boven.
.
Articul XI.

  Ingelyks, dat niemand het Zandpad, daar het Jaagpad loopt, met Wagen of Karre bereyde of sleepe met eenige Vrachten, op Boete als boven.
.
Articul XII.

  Dat niemand eenige Boomen, Belten van Vulnis, Mist, of andere Materie , langer op de 'Treck-wegh' laate leggen als vier dagen, op de verbeurte van één Gulden voor yder dag, dat dezelve bevonden word daar na de voorschreeve vier dagen gelegen te hebben. Gelyk ook, dat niemand eenig Vulnis, hoe genaamd, in de Vaart kome te gooijen, of op de Weg te werpen eenig Snoeysel, Scheersel, Onkruyd en diergelyke, dewelke uyt de Tuynen en Woonhuyzen, aan dezelve Vaart leggende, worden uytgebragt en als Vulnis weg geworpen, op een Boete van 30 Stuyvers.
.
Articul XIII.

  Den Huurder zal niemand de Hekken behoeven te Laaten passeeren, zonder den Tol te betaalen, ten zy hy Specialyk daarvan volgens de onderststaande Lyste worde geëximeerd, en iemand contrarie doende, mogen afvorderen een Boete van ƒ 1-10. En, ingevalle het mogte gebeuren, dat des Winters by beslooté Water de Passagiers voor de Hekken van de Rytuygen quamen af te treden en over het Ys gingen, en daarna, als de Rytuygen door de Hekken gepasseerd waren, zig wederom op dezelven plaatsten, zonder de Gabellen te betaalen, zal de Huurder de Wagenaars, of wie het ook moge wezen, daarvoor in hunnen particuliere Persoonen moge aanhouden, en van dezelven de verschuldigde Gabellen der afgetredene Persoonen afvorderen.
.
Articul XIV.

  Alle welke voornoemde Boetens zullen komen ten profyte van den Huurder, of van die geene, die de Bekeuringe van zynent wegen komen te doen.
.
Articul XV.

  En zullen van deeze Vrydommen gaudeeren de Raaden en Vroedschappen van beyde de Steden
de Commissarissen en Penningmeesteren van het Zandpad
Pensionarissen en Secretarissen, zo met hun eygen als ander Rytuyg en byhebbend Gezelschap
de Heer Bailliuw
Dykgraaf
Hoog-Heemraaden
Rentmeester
Secretaris
Casteleyn
Bodens en verdere Bediendens van Rhynland
mitsgaders de Stedehouder van dezelve Bailliuw
de Heer Bailliuw
alsmede de Secretaris, Stedehouder en Bode van Kennemerland
de Heer Bailliuw en Houtvelder van Brederode
de Heer Bailliuw van Blois
de Heer Bailliuw van Noordwyker-Hout met deszelfs Stedehouder
de Heer Bailliuw van Oestgeest
de Dienaars van de Justitie van de voorsz. respective Bailliuwen
de Onder-Schouten van de twee Steden, als met Gevangenen de Hekken komen te passeeren
de Fabryken en Bazen van het Zandpad, doch maar voor zig zelfs en hunne Rytuygen
mitsgaders het Werkvolk, en voorts alle zodanige Persoonen aan welke specialyk Vrydom aan de respective Tol-Hekken is verleend, en die daarvan behoorlyk kunnen doen blyken. Gelyk ook mede vry zal zyn de Militie van den Staat, op Patent of andre hooge Ordres marcheerende.
.
Articul XVI.

  De Huurders der respective Tol-Hekken, zullen geduurende de tyd van hunne Huur-Jaaren, tot hun gebruyk en bewooning hebben, de respective Huyzingen en Erven, aan yder der voorschreve Tol-Hekken staande, des, dat zy verpligt zullen zyn dezelve zo van buyten als van binnen Glasdigt te onderhouden, en in behoorlyke ordre wederom over te leveren. En dat met relatie tot den Huurder van 't Tol-Hek aan de Leydsche zyde tot zyn gebruyk hebben het Tuyntje aldaar, waaronder echter al het wassend Hout, en de Grond waarop hetzelve staat, niet werd begreepen, als behoudende de Heeren Verhuurders al hetzelve ten hunner profyte, insgelyks zal dezelve moeten gedogen, dat de oude Schuur, die aan het begin van de Tuyn staat, alsmede het Schuytenhuys, worden geamoveerd.
.
Articul XVII.

  De Huur-Penningen met het Rantzoen alleen voor het eerste jaar tegens twee Stuyvers van de Gulden, zullen betaald moeten worden yder Vierendeel-Jaars een gerecht gedeelte, uyterlyk voor den Twaalfden Dag van de Vierde Maand, binnen de Steden voornoemd aan de Penningmeesters aldaar, zonder dat den Huurder eenige kortinge daar aan zal mogen doen, uyt wat Pretensie hetzelve zoude zyn, of tot eenige Doleantie te worden geadmitteerd
alzo deze verhuuringe geschied, dat den Huurderren zynen kosten, baate enschade den Tol zal moeten invorderen en de onwilligen tot de betaalinge constringeeren, volgens de Ordonnantie, waartoe de Heeren Gecommitteerdens van de twee Steden, des verzocht, hun Auctoriteyt zullen interponeeren, tot onderhouding van de voornoemde Ordonnantie.
.
Articul XVIII.

  Voor de voldoening van welke, en het presteeren van de bovenstaande Conditiën, den Huurder gehouden zal zyn te stellen twee suffisante Borgen, ten genoegen van de voornoemde Heeren Gecommitteerdens, onder Renunciatie van de Beneficien Ordinis feu Excussionis & Divisionis.
.
Articul XIX.

  De voornoemde Huur zal ingaan den eersten Mey 1771 en eyndigen den laatsten April 1777.
.
Articul XX.

  De Uytlegging of Interpretatie van deeze Conditiën, voor zoveel eenige Duysterheyd zouden mogen behelzen, houden de Heeren Gecommitteerdens aan haar.
.
Articul XXL

  De huurders zullen gehouden zyn een exemplaar van deze Conditiën altoos voor de hand te houden, om dezelven ten allen tyden te vertoonen, aan den geene, die zulks requireeren zal, of dezelve van nooden mogten hebben.
.
Aldus gedaan en geresolveerd, den 15 January, 1771.

.
Ter Ordennantie van de Heeren,
Burgemeesteren en regeerders
der Stad Haerlem.

O. van Schuylenburgh
Ter Ordennantie van de Heeren,
Burgemeesteren en regeerders
der Stad Leyden.

Ysbrand van Dam.

.
  [down] "Conditiën van verhuring van de tollen aan de “Haerlemmer Treck-vaert'", c.1771.
(met dank aan Ada Smiths-Ciggaar Oegstgeest)
 [up] 


  [down] Schilderij van Leickert  [up] 


  [down] Koningin Wilhelmina c.1898  [up] 
Afb.(c) GOIBT


.


Holland in de 10e eeuw


  [down] Holland in de 10de Eeuw.  [up] 
Afb.(c) DB
  Holland begon als graafschap in 1076, gesticht door graaf Dick V. Holland heeft een zeer lange tijd een personele unie gevormd met de graafschappen Henegouwen en Zeeland, vanaf Jan II van Holland in 1299. In dat jaar werd de naam ook omgedoopt in Holland en West-Friesland, dit omdat de Hollanders de Westfriezen wel hadden onderworpen maar men, om de Friestalige bevolking van dit gebied niet al te veel te prikkelen, hiermee het afzonderlijke karakter van dit gebied wilde onderstrepen.
.
  Het graafschap Holland en West-Friesland was een graafschap van het Heilige Roomse Rijk. Het grondgebied omvatte ongeveer het grondgebied van de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland. In 1346 kwam Holland onder het huis van Beieren, totdat Jacoba van Beieren in 1428 bij de Zoen van Delft werd gedwongen het af te staan aan de Bourgondiërs. Onder keizer Karel V maakte Holland deel uit van de Zeventien Provinciën.
.
  Tijdens de Tachtigjarige Oorlog speelde de provincie Holland en West-Friesland een belangrijke rol in het verzet tegen de Spanjaarden. Na de Unie van Utrecht in 1579 werd het deel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd Holland daarvan het leidende gewest, de provincie was verdeeld in gewest Holland en gewest West-Friesland.
.
  In 1798, bij de vorming van de Bataafse Republiek, werd de provincie Holland en West-Friesland op een andere manier verdeeld en wel over de departementen van Texel (van Vlie tot Rijn), van de Amstel (omgeving Amsterdam), van de Delf (Holland ten zuiden van de Rijn, zonder de eilanden) en van Schelde en Maas (Hollandse en Zeeuwse eilanden), terwijl het zuidoosten bij het departement van de Rijn werd gevoegd. In 1807, de Bataafse Republiek was inmiddels omgevormd tot Koninkrijk Holland, werd Holland weer anders opgedeeld, namelijk in de departementen Amstelland en Maasland. In 1814 kwam daar een eind aan.
.
  In 1815 werd Holland weer samen met West-Friesland een provincie in het Koninkrijk der Nederlanden. Om de dominantie van het gewest Holland te verminderen werd de provincie in 1840, bij het aftreden van Koning Willem I, gesplitst in de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. In de jaren daarna werd nog regelmatig met gebieden geschoven onder de twee provincies en ook met de andere aanliggende provincies (zoals in 1942 toen de eilanden Vlieland en Terschelling bij de provincie Friesland werd ingedeeld).
.
  Een belangrijk gegeven, want in het heden, begin januari 2007 wordt er weer gesproken over het samenvoegen van de 4 gewestelijke provincies, te weten: Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland met als belangrijkste doel: het samenvoegen van diverse besturen om zo tot een bewerkbaardere besluitvorming te komen, met name in het wegenbeleid en het daarmee samenhangende file probleem (noot auteur).

.


  [down] Kaart Holland c.1702.  [up] 
Afb.(c) MDC


  [down] De verschillende grondsoorten in Holland  [up] 
Afb.(c) GOIBT


  [down] Een kaart van Holland op linnen.  [up] 
Afb.(c) DB


  [down] Kaart de Bourgondie.  [up] 


  [down] Kaart van Holland in detail.  [up] 
Afb.(c) HHRSR

Zeeslag schoolplaat

  [down] Een oude schoolplaat van 'n zeeslag  [up] 
  Nederland kent een rijke historie en geschiedenis
van nature uit zijn wij gek op deze locaties en verhalen over en met een roemrijke historie. Daarom hebben wij de volgende afbeeldingen en teksten 'uit een grote verscheidenheid' geselecteert, tevens zijn er een aantal kaarten toegevoegd, welk niet direct op een andere plaats inpasbaar waren. Veel kijk- en lees plezier gewenst.
.


  [down] Leeuwarden - Kelders  [up] 
Afb.(c) GOIBT


  [down]Een heel oude kaart van de tolwegen en vaarten op de Veluwe uit 1557.  [up] 
Afb.(c) internet


  [down]Overgave van de Prince aan de Ruyter.  [up] 
Afb.(c) SMA
(in het jaar 2007 vierden we het 400e geboortejaar van Michiel de Ruyter 1607-2007)


  [down] Slag op de Zuiderzee in 1573  [up] 
Afb.(c) GOIBT


  [down] De Slag op zijn hoogste punt  [up] 
Afb.(c) GOIBT

Gedicht aan schippersvrouwen
Daar groent een buygzaam Kreupelbos
Doorgaans bevloert mee Liefde-Mos
Op een bezielt Gebergt de Mingodes geheyligt
Die Berg splyt hellende, en verdeelt zig in zyn Val,
Doch eyndigt weder in een Dal,
Dat zelden wort door Schaamte ontveyligt.
Een warme Bron schuylt in 't Verschiet,
Die met haar klaar Kristal besproeit twee breede Zoomen
Beplant met Pafos Gras, met Myrten groen, en Boomen,
Zo buygzaam als het Yssel riet
En die wanneer 's Mans Drift hun komt de Vreede ontzeggen,
Demoedig neer gaan leggen.
Een kleyne Grot gewyd aan Psyches Morgen dauw,
Schynt als een teere Maagd haar Omtrek te bepruylen:
Doch wie zag ooit een Plaats zo eng zo naauw,
Waar in de Mingod zig als 't nypt niet kan verschuylen?
Aldaar vlyd zig dat Kind ter sluyk,
En lyk een Ygod leunt op zyn ovaale Kruyk
In 't midden van die Grot, die Vrouw Natuur bemaalde
Met gloeient Roozenroot waar door het purper straalde.
Doch 't sticht een Woelbed in die Kluys,
En speelt met al ons Goed Vertrouwen,
Want als ik denk, het Wicht kan nu geen Onheyl brouwen,
Het slaapt gelyk een Roos, 't is stil gelyk een Muys,
Veroorzaakt het een zacht Geruis,
En Graagte in die gevoel'ge Kluis.
Ach dat myn Cam** dan zyn Minlust dorst verstouten!
En als een Dondergod kwam storten in dees Bouten,
Ik gaf hem toegang tot 't Altaar
Al was 't met Lyfsgevaar.
Ik zou.... 't is uyt met 't Overleggen,
Vlieg Cam** 'k zal het Uw in Confidentie zeggen.

.

The Zuiderzee is a large body of water along Holland's northeastern coast. Between 1927 and 1932, a 30-km (19 miles) dam, known as the Afsluitdijk, was built across the Zuiderzee, separating it into the outer Waddenzee, which is open to the North Sea, and the inner IJsselmeer (Lake IJssel) where areas of reclaimed land - called polders - are used for agriculture and as villages. Dikes built since that time created additional polders that were drained using pumps and, at one time, wind mills. These images, from 1973, and 2004, show the transformation of polders into useable farming land. The 1973 image shows a partially completed dike that, when completed allowed for the creation of the southernmost polder visible in the 1973 image. At that time, draining of the land had been completed and soil cultivation began. By 2004, this area of reclaimed land was covered with farms. The area of lighter blue water visible in the left of the 1973 and 2004 images is the Markermeer - a polder that was created but not drained. It forms a freshwater reservoir that acts as a buffer against floodwaters.



Beelden en Historie Zuiderzee

.

  [down] Droogleggingsplan Zuiderzee  [up] 
Afb.(c) HZ

  Voor een prachtige weergave van een documentatie over de Deltawerken, watersnood 1916 / 1953 en de drooglegging van de Wieringermeer, NoordOostpolder, en Zuiderzee
de aanleg van de afsluitdijk en meer kunt u door:
te klikken en enige tijd te wachten i.v.m. downloadtijd het bestand zuiderzee.pps inzien!
Met dank aan Hannie Zandvliet
14 januari 2011



Gracht van Chaeus Domitius Corbulo
(De Vliet, van Delft tot Leiden)

.
Wie was   Chaeus   Domitius   Corbulo?
.
  Chaeus Domitius Corbulo was een Romeins legeraanvoerder, die in 47 door keizer Claudius (41-54) naar de Lage Landen was gezonden om op te treden tegen lastige stammen, zoals de Chauci (Chauken), een rond de Eemsmond in Oost-Friesland levend zwerfvolk dat ook wel rond het Flevomeer werd gesignaleerd.
.
  Na deze strafexpeditie (47 - 49 n. Chr.) trok hij zich terug en verschanste zich achter de Oude Rijn. Corbulo hechtte zeer aan discipline en verzon een nuttige taak voor zijn soldaten, die bovendien verveling zou voorkomen. Hij liet ze een kanaal graven van ± 34 km lengte tussen de mondingen van de (Oude) Rijn ten oosten van Leiden en de Maas die ter hoogte van Naaldwijk uitstroomde in de Noordzee. Doel van het kanaal was het maken van een veilige binnenroute over water, waarmee de schippers de gevaarlijke passage over open zee konden vermijden. Dat was des te belangrijker als we ons realiseren dat het grootste deel van het bulktransport in die tijd per schip plaatsvond. Door de drassige bodem was het toen namelijk nauwelijks voor de Romeinen mogelijk om grote wegen aan te leggen. Door de aanleg van dit kanaal konden de garnizoensplaatsen langs de Oude Rijn (de noordgrens van het Romeinse rijk) gemakkelijker bevoorraad worden. Behalve bij de verbinding van de Rijn en de Maas speelde de Corbulo-gracht ook een belangrijke rol bij de bevoorrading van de Romeinse hoofdstad in dit gebied: Forum Hadriani tussen Voorburg en Rijswijk.
.
  De Corbulo-gracht, waarover de Romeinse schrijver Tacitus in zijn Annales melding maakte, is zo'n honderd jaar in gebruik geweest. De walkant van het ± 15 meter brede en ± 3 meter diepe kanaal was hier en daar beschoeid met houten palen, waarvan er enkele aan de hand van de jaarringen gedateerd konden worden. Ze bleken gekapt te zijn tussen 46 en 50 na Chr. Corbulo en zijn mannen hebben bij de aanleg van het kanaal optimaal gebruik gemaakt van de bestaande kreken en waterlopen in dit gebied en maar betrekkelijk korte stukken echt hoeven te graven.
.
  Langs de Vliet bij Leidschendam en in de polder Roomburg bij Leiden zijn in 1989 de resten teruggevonden van het kanaal. In 1996 werd hierin op de locatie van het vroegere Romeinse fort Matilo een uniek bronzen ruitermasker gevonden. Het masker glimt als goud, maar is van brons. Archeologen deken dat het in de eerste of begin tweede eeuw na Chr. is gemaakt. In Europa zijn meer dan 90 van dergelijke viziermaskers gevonden, de meeste in de grensgebieden van het Romeinse Rijk. In de buurt van het masker zijn een schedel van een paard en enkele voetbeenderen van een tweede paard aangetroffen. Het masker en de paarden kunnen als offer aan de goden in de Gracht van Corbulo zijn geworpen.
.
  Corbulo's gracht liep van Vlaardingen, om Delft heen lopende naar het oude Romeinse Kasteel te Voorburg, bezijden het kasteel Romenburg tot in den Ouden Rijn bij Leiden.
.
  Een noorder 'sprant' scheidde zich een weinig voorbij Voorschoten af en kwam een kwartier uurs boven Leiden uit. Waar hij zijnen loop naar Valkenburg (geheten Kromme Vliet) waar eertijds ook een Romeins Kasteel gelegen heeft en voorts naar Katwijk vloeide. Daar schijnt hij zich in tweeen gedeeld te hebben met een 'sprant' duinwaarts naar het kasteel te Britten.
.
  Gelijk bij de ontdekking van derselvs grondvesten (1520) scheen te blijken
nl een kanaal, uit het duin komende tegens dit huis aangelopen heeft, hoewel deze gracht zo klein en smal was dat zij na geen vaart of vliet geleek
op deze sprant willen we niet te hard dringen.
.
  De andere sprant liep oostwaarts naar Rijnsburg, Oegstgeest en zo voort tot in de rivier de Leede of in de Poel die men nog 'Eindvliet' heet. Achter het hedendaagse tolhek en dus diende Corbuloos Gracht de Romeinen om hunne kastelen te water van alles konne voorzien.
.

Al eerder dat de Haarlemmertrekvaart werd er in Leiden de 'trekvliet' gegraven, dat gebeurde in c.1630 en hij was bedoeld om schepen de gelegenheid te geven uit de gracht van Borculo gemakkelijker Leiden te passeren i.p.v door alle grachten en singels heen te moeten varen.

tijdtabel nederlandse geschiedenis

1517 Luther met zijn 95 stellingen te Wittenberg
in de jaren daarop vertaling van de Bijbel in de volkstaal
uitbreing van de hervorming
Karel V regeert (de handel floreert)
1572
1596
1598
1609/1621
1619 Stichting Batavia door Jan Pieterszoen Coen
1642 Burgeroorlog in England met Cromwell
1648 Vrede van Munster
Nederlandse Republiek onafhanelijk
einde van de 80 jaar durende oorlog.

1787 In dit jaar werd Jan Ciggaar overste in het dorpsleger te Rijnsburgh.


.


.
Historie & foto's van Strijen-Sas
(vissersplaats aan Hollands Diep)

De oorsprong van het dorp Strijensas – welke is gelegen aan de oever van het Hollands Diep – moeten we zoeken in de graventijd (ca. 923-1299). Graaf Floris V bleek het graafschap Strijen al eerder welgezind te zijn, hiervan getuige een speciale oorkonde uit 1269. Hierin kregen alle ingezetenen van Strijen het recht, zonder daarvoor te moeten betalen in de wateren van het totale graafschap Zeeland te varen. Ook hadden zij dan tolvrijdom in de Heerlijkheid Nieuwevaart welke tot gemeente De Klundert behoorde. Uiteindelijk ontstond na de vele dijkdoorbraken het Sasse-gebied.
.
Het gebied van Strijen, met inbegrip van datgene wat later het aangroeisel Sas zou opleveren vroeg reeds in de 14e eeuw om een ontsluiting naar het buitenwater. Na een nieuwe overstroming in 1421 stroomde het water tot aan de Heilige Geestdijk (oude naam voor de Strijensedijk), waarna bij de val van het water veenputten verdwenen en dikke kleilagen overbleven.
De turfwinners in de 15e eeuw graven het veen tot aan de voet van de dijken weg. Daarmee handelen deze in strijd met de strikte regels van de dijkbescherming. Een ramp kan uiteindelijk niet uitblijven. Die voltrekt zich in de nacht van 18 op 19 november 1421. Bij de Elisabethsvloed wordt een groot deel van het Holocene pakket weggeslagen. Volgens de overlevering verdrinken daarbij veel mensen. Als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten duurt het lang voordat de schade is hersteld. Grote gebieden, zoals de Grote Waard, blijven lange tijd onder water, andere houden voortdurend overlast van het water. Wat oa. overblijft is de Biesbosch, tegenwoordig een prachtig getijdengebied in de monding van de Maas.
.
Op dat moment ontstond in het buitendijkse land een rijk geschakeerd gebied van gorzen en slikken, deze zouden later bij de indijking van de polders Oud - (1553) en Nieuw Bonaventura (1593) haar definitieve gestalte krijgen.
.
Tijdens de inpoldering van het gebied dat de naam Strijense Polder zou gaan dragen (1647) kreeg Strijensas zijn officiële vormgeving. Na de aanleg van een sluis in 1649 ontstond in feite het Strijensche Sas.
Deze oude naam, welke is vermeld in het procesverbaal der grensbepaling van het grondgebied van de nieuwe gemeente Strijensche Sas, werd d.d. 7 juni 1817 officieel vastgelegd.
.
In 1602 werd de aanleg van de nieuwe Strijensche Haven voltooid en in 1773 werd de draaibrug over de sluis van Strijen-Sas vervangen door een houten ophaalbrug. De houten draaibrug werd op haar beurt in 1909 weer vervangen door een stalen ophaalbrug.
Deze heeft door zijn afbeelding en silhouet z’n schilderachtige karakter aan Sas verleend.
.
In het tijdvak 1803 – 1813 heeft Strijensas voor het kleinste aantal jaren tot Strijen en voor de rest tot gemeente Klundert behoord. Dat moge vreemd lijken maar men moet zich bedenken dat pas na de St Elisabethsvloed het Hollands Diep zijn huidige breedte kreeg.
.
Bron: A.H. van Heusden
.

  [down] Het schip wordt behendig de sluis ingestuurd  [up] 
Afb.(c) RVD

.

  [down] Molen aan de haven  [up] 
Afb.(c) HM

.

Afb.(c) HM

.

  [down] Behendig wordt de oude tjalk de sluis uit gevaren  [up] 

.
In Strijensas werd zaterdag de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso herdacht. Maar wie was deze 23–jarige prins eigenlijk? In 1683 huwde de Friese stadhouder Hendrik Casimir II (1657-1696), vorst van Nassau-Dietz, met zijn nichtje Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666-1726). Op 4 augustus 1687 werd hun zoontje geboren: Johan Willem Friso. Zijn roepnaam luidde Friso. De kinderloze Willem III (1650-1702), stadhouder en koning van Groot-Brittannië, werd zijn peetvader. In 1696 stierf Friso’s vader en Henriëtte Amalia werd regentes. In 1702 overleed Willem III, zijn machtige beschermer, en liet hem de titel Prins van Oranje na. Friso’s mentor was Johannes Lemonon, predikant van de Waalse gemeente te Leeuwarden. Die onderwees zijn pupil in de godsdienst en de talen. Samen lazen zij de Bijbel in het Frans. Reeds jong had Friso een vast geloof. Op dertienjarige leeftijd werd hij als student ingeschreven aan de universiteit van Franeker. Baron Van Heemstra, kolonel in het staatse leger, fungeerde als zijn gouverneur. Friso had belangstelling voor het militaire bestaan en stond daarmee in de familietraditie. In 1703 ving zijn loopbaan aan, maar men achtte hem te jong om generaal te worden. Een ver familielid, Hendrik van Nassau-Ouwerkerk, was veldmaarschalk. In 1704 legde Friso de militaire eed af en speelde spoedig een opvallende rol in de Zuidelijke Nederlanden, waar de Franse troepen oprukten. Hij onderscheidde zich dapper en ontsnapte aan de dood. In 1707 volgde zijn aanstelling tot stadhouder van Friesland, in 1708 van Groningen. Zijn moeder stelde een lijstje met huwelijkskandidaten op. In Hessen-Kassel ontmoette hij zijn bruid: prinses Maria Louise (1688-1765). Op 26 april 1709 huwden zij, maar spoedig voegde de bruidegom zich weer bij zijn onderdeel. In 1710 werd hun dochtertje Amalia geboren. Friso was de enige, onbetwiste, erfgenaam bij het sterven van Frans-Alexander van Nassau-Hadamar. Er rezen evenwel meningsverschillen over de erfenis van Willem III. De Pruisische koning Frederik I, nakomeling van Louise-Henriëtte, de oudste dochter van Frederik Hendrik, had eveneens rechten. Een derde kandidaat was Hyacinth van Nassau-Siegen, die zich beriep op het testament van Filips Willem, de oudste zoon van Willem I. De Staten-Generaal waren executeurs-testamentair, maar vreesden Frederik I, die Friso voorwendde voldoende invloed te hebben om hem tot algemeen stadhouder te laten verkiezen. Zo wilde hij Friso gunstig voor zich stemmen. Tot 1732 sleepten de onderhandelingen zich voort. Friso vertrok op 13 juli 1711 uit Vlaanderen om deze erfeniskwestie te bespreken. Tweemaal had Frederik I hem verzocht naar ’s-Gravenhage te komen en het was ongemanierd de koning langer te laten wachten. Met enkele hovelingen, de opperhofmeester baron Van Verschuur, de Friese gedeputeerde Du Tour en kolonel Hilken, stapte hij aan de Moerdijk, op de Brabantse oever, in een roeiboot om het Hollandsch Diep over te steken. Friso verkoos echter een groter schip. Enige heren uit zijn gevolg bereikten met de kleine boot veilig de haven van Strijensas. Op de grotere zette een schippersknecht Friso, twee andere hovelingen en de koetsier over. Aan de Hollandse wal trachtte de voerman tijdens een hevige storm de boot veilig de haven in te loodsen. Manoeuvreerde hij onhandig? Door een valwind raakte het voertuig uit balans en maakte water. De prinselijke koets tuimelde om, Du Tour greep Friso nog vast, maar een hoge golf bleek fataal. Een reddingspoging van baron Van Verschuur baatte niet. Kon Du Tour nog een touw grijpen en gered worden, Friso en de trouwe Hilken verdronken. „Heere ontferm U onzer, wij vergaan!” waren de laatste woorden van de prins. De details verschillen. Wie vond Friso? Er wordt verteld dat een visser hem in zijn netten aantrof. Andere bronnen vermelden dat de beurtschipper van Bergen op Zoom het lichaam bij Willemstad zag drijven. De een zegt dat hij na negen dagen gevonden is, de ander houdt het op acht. Duidelijk is echter dat het ongeluk bij Strijensas gebeurde, niet bij Moerdijk, zoals vaak wordt aangenomen. De balseming van Friso had plaats in Dordrecht, in herberg De Pauw aan de Wijnstraat, waar de Oranjes doorgaans logeerden. Al in de middeleeuwen begroef men drenkelingen in de Nieuwkerk. Het register vermeldt dat „het ingewandt van den Prins van Vrieslandt” daar op 23 juli 1711 is bijgezet. Het kistje is na enige tijd naar Leeuwarden getransporteerd. Maar in de Nieuwkerk ligt nog een plavuisje met de letter N. Van Nassau? Twee dagen na het ongeluk bereikte het droeve nieuws Leeuwarden. Maria Louise vernam de laatste woorden van Friso, boog haar hoofd en stamelde: „De Heere doe wat recht is in Zijn ogen.” Pas op 25 februari 1712 vond de begrafenisplechtigheid plaats, zoals gebruikelijk ’s avonds. Fakkeldragers begeleidden de droeve stoet tot aan de Jacobijnerkerk. De vorstelijke lijkkist stond op een wagen, getrokken door acht paarden. Na drie eresalvo’s werd Friso in de vorstelijke grafkelder bijgezet. Spoedig werden gedichten ter nagedachtenis uitgegeven. In Dordrecht bijvoorbeeld, bij A. de Koning: Op het Beklaaglijk verongelukken van zijn Hoogheid Johan Wilhelm Friso. De arts D. Havart schreef: Grafschrift ter gedagtenisse van den Doorluchtigen, Hooggebooren vorst, en prince Johan Willem Friso, (…). Hij herinnerde aan Psalm 82:6 en 7: „Ik hebbe wel gezegd: gy zyt Goden, ende gy zyt alle Kinderen des Allerhoogsten, Nogtans zult gy sterven als een Mensche, als een van de Vorsten zult gy vallen.” Een ‘samenspraak’ heeft als titel ”Friesland en Groningen in rouw”. Die vermeldt de tekst uit 2 Sam. 3:38: „Weet gy niet dat ten desen dage een Vorst, ja, een Groote in Israël gevallen is?” Diverse predikanten wezen op de vergankelijkheid. In Nieuwpoort –de prins was baron van dit dorp– sprak ds. Martinus Koningh en in het naburige Groot-Ammers ds. Gerardus Perizonius. Hun preken zijn gedrukt. Maria Louise was zwanger. Op 1 september 1711, zeven weken na de dood van zijn vader, is een zoon geboren: Willem Karel Hendrik Friso. Haar hoveling Vegelin adviseerde de prinses: „Lees dagelijks een kapittel uit de Bijbel. Ora et Labora! Neem dan Uw werk ter hand.” De vrome prinses bleek een goede regentes voor haar zoontje Willem IV en later voor Willem V. Zij genoot veel vertrouwen, doch betreurde tot haar eigen sterven de verdrinkingsdood van prins Friso. Expositie In het streekmuseum Het Land van Strijen is de expositie ”In het zicht van de haven” gewijd aan Johan Willem Friso. Een twintigtal panelen vertelt het verhaal van de 23-jarige prins, zijn familie en nageslacht. De expositie is te zien tot 3 september. Het museum is vrijdagavond en zaterdag of op afspraak geopend. http://www.hetlandvanstrijen.com
.

Historie rond de tramlijn

.
Het einde: het complete scenario

.
Het einde van de tram in de Hoeksche Waard verliep volgens dit scenario. Een overzicht van 12 maart 1956 tot 18 februari 1957.

.
12 maart 1956 - De vereniging 'Hoeksche Waards Belang' stuurt een telegram aan het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Naar aanleiding van regelmatig terugkerende ontsporingen vraagt de vereniging aan minister Algera om maatregelen te nemen.

.
18 april 1956 - De minster geeft antwoord: "het materiaal is in orde, de baan laat hier en daar te wensen over".

.
5 juni 1956 - De RTM reageert eveneens: "de baan verkeert in bevredigende staat van onderhoud".

.
1 oktober 1956 - De RTM presenteert de nieuwe dienstregeling voor de winter van 1956 en de zomer van 1957.

.
10 oktober 1956 - De tram richting Hoeksche Waard ontspoort op de Dordtsestraatweg te Rotterdam. De vereniging 'Hoeksche Waards Belang' verstuurt weer een telegram en herinnert de minister aan zijn verantwoordelijkheid. De officier van justitie, mr.
H. van Buuren, bezoekt de plaats van het ongeluk en vraagt het Directoraat van het Verkeer een onderzoek in te stellen. Dat gebeurt nog dezelfde middag en de uitkomsten zijn vernietigend voor de RTM. Er zal worden bekeken of de RTM strafrechtelijk
vervolgd moet worden. Het tramverkeer ligt de gehele dag stil
de bus neemt de taken zo goed mogelijk waar.

.
11 oktober 1956 - De tram mag hangende het onderzoek weer rijden, zij het met een beperkte snelheid. Op het traject Rosestraat - Blaakschedijk geldt een maximale snelheid van 10 kilometer per uur. Met grote vertragingen als gevolg.

.
19 oktober 1956 - Vijf Rotterdamse gemeenteraadsleden, behorende tot de vijf grootste fracties (PVDA, VVD, CHU, KVP en AR), stellen B. en W. vragen naar aanleiding van het ongeval op de Rosestraat. Het college wordt gevraagd om maatregelen te nemen.

.
22 oktober 1956 - De RTM legt het personenvervoer per tram 'tijdelijk' stil op bepaalde trajecten. De reis van Rotterdam naar de Hoeksche Waard verloopt op curieuze wijze: per bus van de Rosestraat naar de Blaakschedijk. Naar Numansdorp gaat de reis
verder per tram. Naar Goudswaard moet worden overgestapt: eerst op de tram die tot Krooswijk verder gaat en daarna weer in een bus die naar het eindpunt rijdt.

.
25 oktober 1956 - De tram naar Numansdorp rijdt rustig door. Op de lijn naar Goudswaard is het personenvervoer per tram volledig gestaakt. Na het overstappen op de Blaakschedijk worden de passagiers nu meteen per bus naar de plaats van bestemming
gebracht. Het stationsgebouw op de Blaakschedijk is niet berekend op de drukte en vooral in de spits ontstaan chaotische taferelen. Bij regen kan slechts 10% van de wachtende passagiers schuilen.

.
26 oktober 1956 - De officier van justitie gelast een gerechtelijk onderzoek in 'de RTM-kwestie'. Onder leiding van Prof. Ir. K.H.C.W. van der Veen zal de gehele trambaan van de RTM op de eilanden Hoeksche Waard, IJselmonde, Voorne en Putten en
Goeree Overflakkee worden geïnspecteerd. Verschillende burgemeesters in de Hoeksche Waard en op Flakkee hebben overigens zelf al een onderzoek laten instellen. De uitkomsten zijn schrikbarend en beschrijven gedetailleerd de vele gebreken aan de
trambaan.

.
29 oktober 1956 - De Rijksinspecteur van het Verkeer te Rotterdam ontvangt een schrijven van de vereniging 'Hoeksche Waards Belang'. Er wordt gevraag de noodtoestand die is ontstaan op te lossen. Bussen zijn overvol, met laat passagiers bij haltes
staan en het publiek is niet ingelicht over het opheffen van bepaalde haltes.

.
31 oktober 1956 - De krant 'Nieuwsblad voor de Hoeksche Waard, IJselmonde en Putten' publiceert de resultaten van een onderzoek van mr. A. de Jong, burgemeester van Westmaas. Deze stelt dat het onverantwoordelijk is om het tramvervoer te handhaven.
De krant zelf bevestigt de bevindingen van de burgemeester en toont foto's van een verrotte trambaan. Ook de burgemeester van Piershil, W.J.D. van Dijck, laat weten geschokt te zijn na een inspectie op zijn grondgebied.

.
5 november 1956 - De RTM maakt bekend om tramvervoer op bepaalde trajecten voorgoed te staken. De lijn Rotterdam - Numansdorp blijft voorlopig gehandhaafd, ook voor personenvervoer. Op de trajecten Krooswijk - Goudswaard en Blaaksche Dijk - Strijen
wordt het personenvervoer voorgoed gestaakt. Het goederenvervoer blijft nog even actief. Na afloop van de bietencampagne (begin 1957) zal worden begonnen met het opbreken van het spoor op de deze trajecten.

.
9 november 1956 - Het Rotterdamse gemeentebestuur is vernietigend in haar oordeel over de RTM en eist drastische maatregelen. "Het railvervoer van de RTM kan binnen een stedelijke bebouwing niet langer worden geduld", zo luidt het oordeel. De RTM
heeft zich inmiddels tot de minster gewend en heeft verzocht alle railvervoer van en naar de Hoeksche Waard te mogen staken.

.
13 november 1956 - De vereniging 'Hoeksche Waards Belang' ontvangt een schrijven van de minister. Deze laat weten aan de NV RTM toestemming te hebben gegeven om de tramdiensten binnen de Hoeksche Waard definitief te staken. Alleen voor het traject
Blaakschedijk - Numansdorp Haven zal personenvervoer worden voortgezet tot uiterlijk 31 december 1956 en goederenvervoer tot het einde der bietencampagne in begin 1957 (dat wordt uiteindelijk nog 8 mei 1957). De lijnen Strijen (haven) -
Blaakschedijk, Zuid-Beijerland - Numansdorp Haven en Goudswaard - Oud-Beijerland (Polderpad) mogen per onmiddellijk, zonder afwachting van het einde der bietencampagne, volledig worden gesloten.

.
16 januari 1957 - Het laatste tramongeluk in de Hoeksche Waard. Op de hoek Sougjesdijk - Smidsweg rijdt de bandenhandelaar A.R. uit Den Haag met zijn bestelwagen tegen een tramstel van de RTM. Het blijft bij materiële schade en zoals zo vaak is 'de
Moordenaar' onschuldig.

.
18 februari 1957 - de firma Jac. Stoof uit Breda begint met het opbreken van het spoor op Goeree en Overflakkee (alleen de lijn Middelharnis Haven naar Dorp blijft intact t.b.v. het goederenvervoer). Daarna begint men met de sloop van alle lijnen
binnen de Hoeksche Waard. Het ijzer wordt vervoerd naar de U.S.M. (Uitvoering Sloopwerken en Metaalhandel) te Stampersgat. De lijnen Rotterdam - Oostvoorne en Rotterdam - Hellevoetsluis blijven voorlopig bestaan.

.


  [down] Porceleinen Vaas.  [up] 
Afb.(c) BRE
  Imari-porseleinen vaas met voorstelling van de trekschuit en de wapens van Leyden en Haerelem in het Museum De Lakenhal in Leiden. Het afgebeelde huis, (zou mogelijk) het 'Huys Halfwegen' onder Lisse kunnen voorstellen. Hierover bestaat echter verschil van mening!
.


Geschiedenis Romeins Nijmegen

.
Hier vind je uitgebreide informatie over Romeins Nijmegen,
Ulpia Noviomagus.
.
wegwijzer
Het Romeinse leger
Romeinse stedenbouw
De begraafplaatsen, Forum, Tempels
Thermen
Arminius

.


.
Meer dan tweeduizend jaar geleden bouwden de Romeinen een complete stad op de plek waar nu Nijmegen ligt. Het was de grootste en rijkste stad van heel Nederland en heette Ulpia Noviomagus. Daar komt ook de naam Nijmegen oorspronkelijk vandaan. Nijmegen is (waarschijnlijk) de oudste stad van Nederland.

.
  [down] Waalbrug Nijmegen  [up] 

.
Wat er zich precies in het Romeins Nijmegen heeft afgespeeld weet niemand. Ook is onduidelijk hoe de stad er heeft uitgezien, want nog maar 1,5 % van de totale oppervlakte is opgegraven. Door alle gegevens die er zijn van opgravingen in Nijmegen te vergelijken met wat we weten over andere Romeinse steden, proberen we een beeld te geven hoe Nijmegen er in die tijd kan hebben uitgezien.

.
  In 12 voor Christus drongen de Romeinen ons dunbevolkte gebied binnen. Naast de gewone bevolking die hier in kleine dorpen leefden waren de Bataven, een Germaanse stam, in het rivierengebied tussen de Maas en de Rijn gevestigd. De Bataven waren de Romeinen goed gezind. In ruil voor hun trouw en levering van troepen kregen de Bataven een aantal voorrechten van de Romeinen. De Bataven hoefden bijvoorbeeld geen belasting te betalen.

.
Oppidum Batavodurum
De Romeinen bouwden hun hoofdplaats, een enorm legerkamp (met plek voor 12000 soldaten) op de heuvel bij de Waal waar nu het Valkhofpark [zie inleg] is. Ze gaven het de naam Batavodurum of Oppidum Batavorum. Het betekende ‘stad van de Bataven’. Maar het was niet echt een stad voor de Bataven. Het was vooral een Romeinse nederzetting, een bestuurlijk centrum in Bataafs gebied, waar vooral immigranten uit Gallië woonden.

.
Hunnerberg
  Op de huidige Hunnerberg en Kops Plateau werden een aantal kleinere militaire vestingen gebouwd. Op de Hunnerberg werd zelfs een houten castra neergezet, een legioenvesting voor meer dan 5000 soldaten. De strategische plaats, met uitzicht over de vlakte van Waal en Rijn, was door hen gekozen als uitvalsbasis. Ook langs de Rijn in Duitsland zijn toen een aantal grote kampen aangelegd, zoals in Bonn en Xanten.

.
De Romeinen waren van plan om van hieruit het Germaanse gebied aan de andere kant van de Rijn tot aan de rivier de Elbe te veroveren. In 9 na Christus organiseerden ze een grote expeditie. Drie Romeinse legioenen, in totaal wel 18.000 man, trokken onder aanvoering van bevelhebber Varus de Germaanse wouden in.
.
  Op de terugmars naar het winterkamp bereikte Varus het bericht van een opstand in een verre provincie in de buurt van de rivier de Weser. Hij week daarom af van de geplande route, niet wetend, dat deze route door de Germanen zorgvuldig uitgezocht was. Het was een dichtbebost gebied, ingesloten door heuvels en moerassen. Oprukken in een geordende strijdformatie was hier onmogelijk. Een langgerekte colonne, bestaande uit troepen, kooplieden, proviandkarren en bagage was het gevolg. Een ideale situatie voor de Germanen. Drie dagen lang vielen de Germanen de Romeinen aan. De Germanen hadden ook nog eens voordeel van het slechte weer. Op de tweede dag pleegde Varus, die de uitzichtloosheid van de situatie onder ogen zag, zelfmoord. Tijdens de derde dag werden de laatste Romeinse troepen bij Kalkriese, ingeklemd tussen de uitlopers van het Wiehengebirge en een moerasgebied, verslagen. Binnen een paar uren lieten vrijwel alle Romeinen het leven in een gevecht met de hoofdmacht, die zich langs de route verscholen had. Arminius' overwinning raakte eeuwenlang in de vergetelheid. Het is één van de grootste nederlagen die de Romeinen ooit geleden hebben. De toenmalige keizer Augustus was daar zo van ondersteboven dat hij maandenlang zijn hoofd tegen de muur bonkte met de woorden:
“Varus, Varus, geef mij mijn legioenen terug”.

.
Augustus trok zijn conclusies en schoof zijn plan om Germania te veroveren op de lange baan. Zijn opvolgers hebben nog wat voorzichtige veroveringspogingen gedaan, zonder succes. In 47 na Christus besloot keizer Claudius verdere pogingen te staken. Daarmee was de rivier de Rijn de definitieve noordgrens (limes) van het Romeinse Rijk.

.
Deze beslissing had voor Nederland nogal wat gevolgen. Langs de hele Rijn bouwden de Romeinen forten (castella), die door hulptroepen werden bemand. Er werden wegen aangelegd, kanalen gegraven en bouwland ontgonnen. Het zuiden van Nederland plukte zo de vruchten van de Romeinse beschaving.
Er brak een periode van vrede aan in het Romeinse Rijk: de Pax Romana, wat de Romeinse vrede betekent.

.
Pax Romana
In 69 na Christus was er een korte onderbreking van de Pax Romana. De wrede keizer Nero pleegde toen zelfmoord. Er waren meerdere kandidaten voor de opvolging van de troon. Zo ontstond een strijd om de troon, die in het hele Romeinse Rijk voor wanorde zorgde. De legioenen aan de Rijn riepen hun eigen aanvoerder uit tot hun keizer en trokken op naar Rome. In al die chaos pakte de Bataafse Romein Julius Civilis zijn kans om een aantal Germaanse stammen te vereniging en in opstand te komen tegen de Romeinen en ze voorgoed te verdrijven uit het gebied. Hij veroverde een paar castella aan de Rijn en stak ze in brand.

.
  [down] “Varus, Varus, geef mij mijn legioenen terug”  [up] 

.
Toen Vespasianus als enige overlevende uit de strijd om de troon (en dus als winnende Keizer) uit de bus kwam, was het afgelopen met de Bataafse opstand. Hij stuurde acht legioenen deze kant op. Bang geworden stak Julius Civilis zijn stad Batavodurum in brand en vluchtte de Waal over. Na onderhandelingen gaf hij zich over: de Bataven kregen hun voorrechten terug, maar Vespasianus liet voor de zekerheid zijn Tiende Legioen (Legio X Gemina) achter in de buurt van de Bataafse hoofdstad. De verlaten houten castra op de Hunerberg werd vervangen in steen. Dit bouwwerk is het allereerste stenen gebouw in onze streken. Het zal ook de enige stenen legioensvesting in heel Nederland blijven. De resten van dit kamp zijn nog niet helemaal opgegraven, omdat er nu nog huizen op deze plaats staan.

.
Rondom het kamp waren kampdorpen, de canabae, waar ambachtslieden zoals pottenbakkers, maar ook winkeliers, herbergiers en handelaren woonden. Ook de kinderen en vrouwen van de soldaten woonden in deze dorpen.Toen de castra klaar was bouwden de legionairs van het Tiende Legioen een stad in Nijmegen-West, 1,5 kilometer ten westen van waar Batavodurum had gelegen. Eerst gebeurde dat nog in hout, maar al gauw werd het vervangen door steen. In 104 werd het legioen overgeplaatst naar de provincies aan de Donau. Het kamp wordt dan bewoond door kleinere legereenheden tot aan 175 na Christus.

.
  [down] Blik vanaf de brug op stad Nijmegen  [up] 

.
Batavodurum
Rond 100 na Christus kreeg de stad Batavodurum van Keizer Trajanus het recht om een markt te hebben. De stad ging officieel Ulpia Noviomagus Batavorum heten. Ulpia is de familienaam van Trajanus. Noviomagus betekent ‘nieuwe markt’. Aan het eind van de tweede eeuw kreeg Noviomagus stadsrechten en mocht het zich municipium noemen. Romeinen en Bataven woonden toen waarschijnlijk bij elkaar. De Bataven hadden zich vanzelf aangepast aan de Romeinen. Ze waren, zoals dat wordt genoemd, geromaniseerd.

.
Aan het einde van de tweede eeuw vielen Germaanse stammen het Romeinse Rijk binnen. De eerste golf invallen kon nog wel worden gekeerd. Maar meerder invallen in de derde eeuw dreven de bewoners van Ulpia Noviomagus de stad uit, tot het rond 270 na Christus helmaal verlaten was. Naast een fort rond het Valkhof was toen nog maar een kleine nederzetting op de Waalkade bewoond. De stad, of wat daarvan over is, ligt nu onder het huidige Waterkwartier.

.
De Germaanse stammen (vooral de Franken) bleven het Romeinse Rijk teisteren tot de Romeinse macht helemaal brak. Op het moment dat het West Romeinse Rijk in 476 definitief instortte was er allang geen Romein meer in onze streken te bekennen. Onze welvaart en cultuur was daarmee bijna terug tot voor de komst van de Romeinen…

.

Het Romeinse leger
Het leger was erg belangrijk voor de uitbreiding, verdediging en besturen van het grote Romeinse Rijk. Rome had duizenden beroepssoldaten in dienst, die naar alle uithoeken van het Rijk werden gestuurd. Het Romeinse leger was opgebouwd uit legioenen, waarvan het aantal voortdurend veranderde. Een Romeins legioen telde zo’n 5000 à 6000 man. Daarnaast waren er ook hulptroepen, die vooral werden ingezet om de grenzen te bewaken.

.
Indeling van een legioen
Acht soldaten vormden een contubernium en deelden samen een tent of kamer in de soldatenbarakken. Tien contubernia heette een centuria, die samen in èèn soldatenbarak werden ondergebracht. De centurio had de leiding over èèn centuria. Hij woonde aan het eind van de barak.
Zes centuria vormde een cohort (dus 480 man). Een legioen telde tien cohorten. Daarbij kwamen nog alle mensen die in dienst waren van het leger zoals timmerlieden, smeden, (dieren)artsen, boekhouders, enzovoorts. In totaal telde een Romeins legioen dus zo’n 5000 à 6000 man. Het legerkamp heette een castra.

Hoe werd je legioensoldaat?
Op ongeveer 18 jarige leeftijd begonnen Romeinse soldaten als tiro. Na hun opleiding werden ze legionarius en ingedeeld bij een centuria. Zij bleven 20 tot 25 jaar soldaat en sjouwden naar alle uithoeken van het Romeinse Rijk.
De centurio koos uit de soldaten zijn assistent, de optio. Als een plaats van een centurio vrij kwam, kon een optio bevorderd worden tot centurio. De kampcommandant, de praefectus castrorum, had de dagelijkse leiding van het legerkamp. De algehele leiding van een legioen was in handen van de legatus, de bevelhebber.hij had 5 of 6 assistenten, tribuni, die uit de hoogste kringen van Rome kwamen.

.

Romeinse stedenbouw
De Romeinen hebben een heel goed wegenstelsel aangelegd door heel Europa. Ze konden het grote rijk heel goed besturen en hebben een rechtssysteem ontwikkeld die tot op de dag van vandaag weinig verandert is. Ook in de bouwkunst waren ze echte meesters. Nooit eerder in de geschiedenis werd er op zo’n grote schaal in steen gebouwd. De Romeinen maakten gebruik van natuursteen, maar ontwikkelde ook een techniek om bakstenen te maken. Ook vonden ze het beton uit.

.
Het stadsplan
De Romeinen bouwden een stad altijd op ongeveer dezelfde manier. De steden hadden een rechthoekige of vierkante vorm met daarbinnen een recht stratenpatroon met op vaste plaatsen poorten, tempels, badgebouwen, enzovoort. Dat was het meest praktisch en overzichtelijk. Het maakte niet uit of die stad in Brittanië, Noord-Afrika of Sirië lag. Er ontstond zo een eenheid in het grote Romeinse Rijk. Ook was het handig voor reizende burgers en soldaten. Ze konden in elke stad makkelijk de weg vinden.

.
  [down] Romeins Huis en inrichting  [up] 

.
Bij de indeling van de stad waren twee belangrijke hoofdstraten: de castro (meestal liep die van noord naar zuid) en de haaks daarop liggende decumanus (oost-west). Soms waren er ook twee van elk. Aan elk uiteinde van de hoofdstraten was een grote poort. Alle straten lagen zoveel mogelijk parallel aan deze twee hoofdstraten. De blokken tussen de straten of insulae (letterlijk betekend dat ‘eilanden’) werden steeds voor één functie gebruikt.zo waren er insulae waar mensen woonden, voor handwerkers, herbergen, tempels, badgebouwen en het forum. De stad had een riool en waterleidingen die onder de starten door liepen. We weten dat het riool in Ulpia Noviomagus uitkwam op de Waal.

.
In de tweede helft van de tweede eeuw kreeg Ulpia Noviomagus een stenen muur. Waarschijnlijk waren ze ongeveer 5 meter hoog en 1,2 meter dik met kantelen en wachttorens.

.
Zoals in bijna overal in europa zijn de Romeinse resten in de Middeleeuwen gebruikt om huizen en kerken van te bouwen. De meeste stenen hadden de Romeinen zelf uit de Eifel in Duitsland gehakt, omdat er in ons drassige landje geen natuursteen te vinden was. Van de Romeinse stad bleven zo alleen maar wat muurresten en fundamenten over. In de loop der tijd verdwenen ze onder een laag grond van wel drie meter door mest en modder van overstromingen. De loop van de rivier de Waal is door de eeuwen heen tientallen meters zuidelijker gaan liggen, waardoor een deel van Romeins Nijmegen is weggespoeld. En begin deze eeuw werd er precies op de plek waar Ulpia Noviomagus gelegen heeft een nieuwe wijk gebouwd: het Waterkwartier.

.
Momenteel gaan we ervan uit dat de stad ongeveer 600 bij 600 meter groot was. We weten dat de grens van de stad ongeveer loopt via de Bronsgeeststraat, Biezenstraat en Rijstraat. Dat is vergeleken met Nijmegen nu niet zo groot, maar in een dunbevolkt gebied waar hier en daar een paar boerderijtjes stonden maakte dat een enorme indruk.

.
Het maakte deel uit van de provincie Germania Inferior, oftewel Neder-Germanië. De hoofdstad van de provincie was Colonia Claudia Ara Agrippensium, dat we nu kennen als Keulen. Naast Nijmegen kende Neder-Germanië twee andere steden: Colonia Ulpia Traiana (nu: Xanten in duitsland) en Forum Hadriani (nu: Voorburg).De bijnaam van Xanten ‘ Ulpia’ verraadt al dat deze stad uit dezelfde tijd stamt als Ulpia Noviomagus. IN Xanten is een archeologisch park dat je kunt bezoeken. De fundamenten die daar zijn blootgelegd, geven nu nog een goed beeld van de Romeinse stad. Xanten was bijna twee keer zo groot als Noviomagus en bezat de hogere status van ‘colonia’. Daardoor is de stad wel groter en rijker dan Noviomagus.

.

De begraafplaatsen, Forum en tempels
De begraafplaatsen waren dicht bij de stad. In Nijmegen is een groot grafveld teruggevonden ten zuiden van de Romeinse stad. Het zijn de rijkste graven die ooit op Nederlandse bodem gevonden zijn. Tussen 70 en 270 na Christus zijn op dit grafveld meer dan 12.500 doden begraven. Ook ten oosten van de stad, tot onder de Lange Hezelstraat en de Hessenberg, zijn graven gevonden.

.
De doden werden meestal gecremeerd. De as werd in een urn gedaan en samen met een paar voorwerpen in eenvoudige kuilen begraven. De Romeinen geloofden in leven na de dood. De voorwerpen kon de overledene in het hiernamaals goed gebruiken.

.
Veel graven zijn in het verleden door schatgravers geplunderd. Ten oosten van de Romeinse stad zijn ook grafkisten van steen gevonden.De Romeinen hadden ook de gewoonte om langs wegen naar de stad hele grote gedenkzuilen neer te zetten, een soort grafstenen. De naam en leeftijd van de overledene stond erop, en vaak een korte levensbeschrijving. In onze tijd zou het een vreemd gezicht zijn om langs metershoge, gekleurde grafmonumenten een stad te naderen, maar in die tijd was dat heel gewoon.

.
Het forum
Bij de kruising van de twee hoofdstraten lag het forum. Dat was een rechthoekig plein dat een belangrijke ontmoetingsplaats was voor de Romeinse burger. Het is te vergelijken met de Middeleeuwse markt: de laatste nieuwtjes werden er verteld, er werd handel gedreven en politieke toespraken gegeven. Rond het forum lagen de voor de belangrijkste openbare gebouwen van de stad, zoals de hoofdtempel, winkels en de basilica, een groot gebouw dat dienst deed als markthal en gerechtsgebouw. Het forum in Nijmegen zal ergens tussen de Honig-fabriek en de Weurtseweg hebben gelegen.

.
Tempels
De Romeinen vereerden meerdere goden. Er was een officiële godsdienst waarin goden als Jupiter, Mars, Venus, Minerva en Juno een belangrijke plaats hadden. Maar overal in het Romeinse Rijk werden er ook andere, niet-Romeinse, goden vereerd. De Romeinen waren heel makkelijk ten opzichte van andere religies en namen ook andere goden over. In onze streken was er een Gallo-Romeinse godsdienst: een mengeling van Gallische en Romeinse invloeden. Zo werd bijvoorbeeld de godin Hursirga in Nijmegen vereerd. Ook hebben veel tempels een andere vorm dan de standaard Romeinse tempel. In deze streken zijn naast de ‘officiële’ Romeinse tempels veel tempels teruggevonden van het Gallo-Romeinse type. Deze hebben een lage zuilengang rond het middengedeelte dat vierkant was en als een toren uitstak boven een afdak. Het afdak werd door zuilen gedragen en leunde tegen de buitenmuren aan.

.
Voor de Romeinen was de tempel een bijzonder heilige plek: de god aan wie de tempel was gewijd woonde er ook echt. De eredienst werd niet, zoals bij de Christelijke kerk, in het gebouw zelf gehouden, maar op het plein ervoor. Op een altaar van steen konden mensen een offer brengen. In Ulpia Noviomagus zijn aan de rand van de stad, ter hoogte van het Maasplein, in 1993 resten van tempels teruggevonden. Er stonden twee Gallo-Romeinse tempels, gewijd aan de goden Mercurius en Fortana. Ze vormden samen één heiligdom, met een gezamenlijke afmeting van ± 45 bij 96 meter. Het is tot nu toe het enige bouwwerk waarvan we de hele plattegrond kennen. Er zullen vast nog meer tempels in de stad terug te vinden zijn.

.
Het amfitheater
De Romeinen gingen graag uit naar het amfitheater. Elke stad had er minstens één. Zo’n gebouw kun je je voorstellen als een groot voetbalstadion met tribunes in het rond, gebouwd van steen. In het theater vochten gladiatoren op leven en dood, om de toeschouwers op de tribune te vermaken. Soms moesten ze het zelfs opnemen tegen wilde dieren zoals beren, zwijnen, stieren en leeuwen. Gladiatoren waren meestal krijgsgevangenen, slaven of misdadigers, maar er waren ook vrijwilligers die er hun beroep van hadden gemaakt. Want overwinnaars kregen na elk gevecht een fikse beloning in geld. Als een gladiator een aantal jaren alle gevechten overleefde werd hij vrijgelaten en geëerd als een held. Mensen met hoge functie's zaten op de eerste rang, vlakbij de arena. De bovenste rangen waren echter voor het ‘gewone’ volk en waren meestal gratis. Bij warm weer konden bij veel amfitheaters zonneschermen over de tribunes gespannen worden.

.
De gladiatorenspelen zijn ongeveer te vergelijken met het voetbal van nu: het was een geliefd volksvermaak, waar ook veel emoties bij loskomen. Het Spaanse stierengevechten is een rechtstreekse overlevering van de Romeinse traditie.Amfitheaters werden meestal gebouwd aan de rand van de stad, vanwege de overlast én om genoeg ruimte te hebben voor in- en uitstromende mensen. Ze zijn ontstaan door twee Griekse theaters (de Grieken waren een groot voorbeeld voor de Romeinen) in spiegelbeeld aan elkaar vast te plakken (amfi = twee).In Nijmegen lag er een amfitheater vlakbij de legioensvesting in Nijmegen-Oost, onder de Schilderswijk. Door middel van gekleurde stenen zijn nu in de straten de contouren van het theater aangegeven.

.
Het was een ovaalvormig gebouw dat 94 bij 82 meter mat. In Xanten is een iets groter amfitheater gevonden van 99 bij 87 meter. Deze is voor een deel gereconstrueerd, zodat je een goed beeld krijgt hoe het er vroeger uit heeft gezien. Er konden wel 12.000 toeschouwers in, wat meer is dan de bevolking van Xanten. Dat gold ook voor Nijmegen. Maar we moeten er ook rekening mee houden dat het theater in eerste instantie vooral bedoeld was voor de ± 5000 legionairs.

.

Thermen
Van alle nieuwe dingen die de Romeinen meebrachten naar deze streken waren de thermea (thermen of badhuizen) het meest typisch voor de Romeinen. Ze vonden lichaamsverzorging, hygiëne en ontspanning erg belangrijk. Het gebouw had meerdere ruimtes met verschillende baden. Zo was er een warmwaterbad (caldarium), lauwwaterbad (tepidarium) en een koudwaterbad (frigidarium). En meestal was er ook een zweetruimte, een Romeinse voorloper van de sauna. Een heel knap systeem van water- en luchtkanalen zorgde voor een zo min mogelijk verlies aan warmte. Een hypocaustum, de Romeinse vloerverwarming, zorgde voor een aangename temperatuur in het hele gebouw.

.
In het gebouw waren natuurlijk ook kleedkamers, maar er was ook een binnenplaats waar gesport werd en soms een zwembad en zelfs een bibliotheek waar je kon studeren. Je kon er een drankje krijgen, je laten masseren, en een babbeltje maken met bekenden. Soms waren er ook winkeltjes. Kortom: het was goed toeven in de thermen. De Romeinen vonden het zo belangrijk dat de entree heel laag was of zelfs gratis. Zo kon iedereen er gebruik van maken. In het hele Romeinse Rijk zijn thermae te vinden. Rome, toen het centrum van de wereld, spande de kroon met tientallen badgebouwen. De grootste waren wel 200 bij 150 meter, met ruimtes van meer dan 30 meter hoog. De thermen in Nijmegen waren natuurlijk wat kleiner. Er zijn in 1992 resten gevonden dichtbij de Honig-fabriek aan de Waalbanddijk. Daaruit blijkt dat ze toch nog 100 bij 100 meter waren. Ze zijn daarmee de grootste in Nederland.

.
Van de eens zo grote en belangrijke stad Ulpia Noviomagus is nog steeds weinig bekend. We hebben de begrenzingen gevonden. We weten daardoor dat het op de Romeinse manier is aangelegd in een rechthoek en ook hoe groot het ongeveer is geweest (enkele duizenden inwoners). Er zijn resten gevonden van grote thermen en tempels. Op een aantal plaatsen zijn sporen gevonden van ambachtelijke activiteit, van pottenbakkerijen en metaalsmederijen. Het is verleidelijk om de rest van de stad er bij te verzinnen. Tot op zekere hoogte kan dat ook, omdat de Romeinse steden op ongeveer dezelfde manier werden gebouwd.

.
Welke verschillende gebouwen er geweest zijn is dan misschien bekend, maar de plaats waar ze te vinden zijn (nog) niet (allemaal). Archeologische opgravingen zullen daar de komende jaren meer licht op brengen, tot die tijd is iedereen vrij om een eigen invulling te geven aan de reconstructie van de Romeinse stad. Op de plattegrond van Nijmegen kunnen in gedachten al muren, grachten, starten en poorten worden ingetekend. Ook kunnen het forum, amfitheater, tempels en thermen er een plaats krijgen. En lopend door de starten van het Waterkwartier kun je in gedachten voorstellen hoe het er bijna 2000 jaar geleden heeft uitgezien. Om die manier komt het roemrijk, Romeinse verleden van Nijmegen weer bijna tot leven. En daar mogen ze in Nijmegen heel trots op zijn.
.
Bron:museumhetvalkhof.nl

.


Wie was de tegenstander van de Romein Varus?

.
Arminius ('=Hermann'), germaans leider
.
Het plaatsje Kalkriese in Nedersaksen profileert zich als de locatie waar de beroemde Hermannsschlacht moet hebben plaatsgevonden. In 9 na Christus werd daar de opmars van de Romeinen gestuit door de Germanen onder leiding van Arminius. De slag werd in de negentiende eeuw nog met een groot monument herdacht in het Teutoburger Wald. Tegenwoordig is men daar echter blij dat Kalkriese die taak heeft overgenomen.
.
Kalkriese is een gehucht gelegen in het heuvelland boven Osnabrück, zo’n zeventig kilometer ten oosten van de Nederlandse grens bij Denekamp. Even buiten het dorpje tussen Venne (bekend van zijn wafelmuseum) en Bramsche ligt het park waar tweeduizend jaar geleden Arminius’ Germaanse leger de Romeinen in de pan hakte. Naar verluidt.

.
Groot grasveld
Aan het park zelf is dat niet te zien, zeker niet in de sneeuw. Een groot grasveld, omgeven door bos. Op de grond liggen her en der metalen platen, die de bezoekers uitleg geven over het stuk natuur dat voor hen ligt uitgespreid. Dáár vielen de Romeinen aan. Dáár sprongen de Germanen uit de bosjes. Het bijbehorende museum herbergt wat hier in de loop de jaren uit de grond is gehaald. Dat zijn vooral veel muntjes, maar ook speerpunten, sieraden en gebruiksvoorwerpen.
.
Allemaal Romeins en stuk voor stuk bewijsmateriaal dat de Hermannsslag hier moet hebben plaatsgevonden, zo wil ongeveer elk bijschrift de bezoekers doen geloven. Juist dat hameren op die plek maakt de bezoeker sceptisch. Dat zou toch niet nodig hoeven zijn, als het bewijsmateriaal zo overtuigend is?

.

  [down] Het standbeeld in het Teutoburger Wald van 'Arminius'  [up] 
( (c) Foto: 1967 RHAVD )

.
Hermannsdenkmal
Het is duidelijk dat het museum Kalkriese daarmee poogt zich te onderscheiden van het tachtig kilometer zuidwestelijk gelegen Hermannsdenkmal zijn, midden in het Teutoburger Wald. In 1875, net na de oprichting van de Duitse staat, werd hier een imposant monument opgericht voor Arminius – in goed Duits: Hermann – bevrijder der Germanen. De Slag van het Teutoburger Wald verwerd daar tot de ontstaansmythe van het Duitse rijk.
.
In deze bossen, zo ging het verhaal, werd de Romeinse opperbevelhebber van de Germaanse gebieden Varus in een hinderlaag gelokt. De Germaan Arminius, opgegroeid en als soldaat opgeleid in Rome, speelde daarbij een dubbelspel. Behorend tot het gevolg van Varus, wist hij zijn legerleider over te halen tijdens een mars door het Duitse land een omweg te maken door het Teutoburger Wald. Daar werd het Romeinse leger opgewacht door de Germanen – en uiteindelijk verslagen.

.
Vergetelheid
Arminius’ roem duurde niet eeuwig. Tien jaar na zijn overwinning, in 19 na Christus, werd hij zelf slachtoffer van een complot en vermoord door een familielid. Daarna werd hij vergeten. Ook de Slag van het Teutoburger Wald raakte de daaropvolgende eeuwen in de vergetelheid.
.
Pas in de zestiende eeuw dook zijn naam weer op, toen de ‘Annalen’ van Tacitus werden herontdekt. Daarin beschreef de Romeinse geschiedschrijver Arminius als “bevrijder van Germania". Die tekst werd in de Duitse landen geïntroduceerd, met een Arminius-cultus tot gevolg. Daarbij werd zijn naam verbasterd tot Hermann.
.
In de negentiende eeuw bereikte de mythologisering van Hermann een hoogtepunt. Met het metershoge standbeeld op de Teutberg, waar op basis van aanwijzingen bij Tacitus de slag werd gesitueerd, eerde de jonge Duitse staat zijn oervader. In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd de plek eveneens een geliefd nationaal-socialistisch oord, waar de man vereerd werd die het land bevrijdde van de Romeinse veroveraar. De verbinding met de nazi-ideologie is natuurlijk niet ver te zoeken.
.
Daarmee werd het monument, zoals met zoveel Duitse uitingen van nationalisme gebeurde, voorgoed besmet. Zo ongunstig was het daarom niet dat de Teutberg aan het eind van de twintigste eeuw zijn historische grondslag verloor, doordat de Hermannsslag langzaam maar zeker werd verplaatst naar Kalkriese. Integendeel.

.
Meer muntjes
De beroemde historicus Theodor Mommsen had eind negentiende eeuw reeds zijn bedenkingen geuit bij het Teutoburger Wald als locatie van de antieke slag. Op basis van Romeinse munten wees hij destijds al naar Kalkriese. Aan die suggestie werd een eeuw later, in 1988, gehoor gegeven. Een Engelse hobbyarcheoloog ging met zijn metaaldetector aan de slag en vond meer muntjes in de aarde bij Kalkriese.
.
Toen een professionele archeologenploeg vervolgens het een na het andere stuk Romeins ijzer naar boven wist te halen, werd Kalkriese steeds aannemelijker geacht als juiste locatie van de slag. Zeker omdat het landschap zich uitstekend leent voor de hinderlaag waarin Varus zou zijn gelokt. Het gebied vormt een relatief nauwe pas tussen de Kalkrieser berg en een noordelijker gelegen moerasland.

.
-
.

.
Tatort
Tegenwoordig profileert het Hermannsdenkmal zich vooral als toeristische trekpleister vanwege zijn schitterende bosrijke omgeving, ideaal voor wandelaars en natuurliefhebbers. Elke connotatie met het verleden wordt overgelaten aan Kalkriese, dat volop de kans krijgt zich te profileren als de historische Tatort van de slag.
.
Die status wordt uiteraard hartelijk omarmd, maar dat neemt niet weg dat het Hermannsdenkmal in zijn nadrukkelijke afwezigheid in Kalkriese overal onderhuids aanwezig blijft. Zo kom je de naam Hermannsslag of Slag van het Teutoburger Wald in Nedersaksen nergens tegen. Hier wordt Arminius' hinderlaag consequent de Varusslag (Varus= 'Romeinse legerleider, zie artikel Nijmegen') genoemd, naar de verliezer van de strijd.
.
De uitkijktoren [zie inleg], die deel uitmaakt van het museum, verwijst eenduidig naar het beeld van Hermann. Het "minimalistische" bouwwerk is opgetrokken uit roestende stalen platen en ontbeert elke vorm van versiering. Daarmee vormt het een overduidelijk reactie op het protserige monument in het Teutoburger Wald, alsof het de bezoekers wil zeggen: wees gerust, wij hebben niks van doen met nationalisme. Het maakt het uitzicht er daarboven niet minder op.

.
-
.

  [down] Het 'Hermann's Denkmal' (protserig monument?)  [up] 
( eigen foto )

.
Denkmal
Beide locaties vormen daarmee een interessante dwarsdoorsnede uit de Duitse geschiedenis – zeker in combinatie met elkaar. Ze vertellen misschien nog wel meer over Duitslands meer recente geschiedenis dan over een slag die tweeduizend jaar geleden plaatsvond. Dat doen ze bovendien bewust. Niet voor niets prijkt bij de ingang van het museum in Kalkriese een poster met het Hermannsdenkmal en de woorden: “Denkmal drüber nach”.

.
Bron: Pim Huijnen (redacteur Duitslandweb)



.
Alles over Hunebedden
Geheimen grafkamers van Drentse hei ontrafeld.

Lange tijd dachten we dat hunebedden het werk was van reuzen die over de Drentse hei doolden. Inmiddels weten we wel beter. Niettemin roepen de geheimzinnige grafkamers nog altijd tal van vragen op. Het Hunebedcentrum in Borger ontrafelt een aantal van deze eeuwenoude mysteries.
.
  [down] Een Hunnebed in Zweden  [up] 

.
Het hunnebeddencentrum, vormgegeven door het beroemde architectenechtpaar Aldo en Hannie van Eyck, ligt op de plaats waar het thuishoort. Met zestien hunebedden in de nabije omgeving is Borger immers onmiskenbaar hunebedhoofdstad van ons land.
.
De reis terug in de tijd begint in de filmzaal. Via een groot scherm wordt de bezoeker meegenomen op een ijzige reis die voert van Scandinavië richting het Drenthe van een slordige 150.000 jaar geleden. Van de tijd dat de aarde nog bedolven was onder een dik pak ijs tot het tijdperk waarin de hunebedden werden gebouwd.
.
Dat gebeurde door een volkje dat de afmetingen had van een Hobbit. Zo werd een volwassen man amper 1.65 meter groot. Het ‘trechterbekervolk’, vernoemd naar de trechtervormige bekers die bij opgravingen werden teruggevonden, had dan ook een ingenieuze methode bedacht om de uit de kluiten gewassen zwerfstenen van soms 20.000 kilo te verslepen en boven op elkaar te stapelen.
.
Met behulp van boomstammen werden de gevaartes naar de beoogde plek gerold en met houten stellages naar boven gehesen. De graftombes werden vervolgens afgesloten door bovenop de draagstenen platte dekstenen te leggen en de kieren dicht te proppen met zand en klei.
.
Er zijn nog een slordige vijftig hunebedden overgebleven, de rest is gesloopt. Op een enkeling in Friesland of Groningen na, zijn ze vooral in Drenthe te vinden. De prehistorische grafkamers vormden ware archeologische schatkamers. Menselijke resten vergingen weliswaar grotendeels in de zure bodem, maar wapens en aardewerk werden vaak in overvloed aangetroffen.
.
Zo werd in 1970 in het even verderop gelegen Drouwenerveld voor het laatst een hunebed blootgelegd. De complete inventaris daarvan ligt nu uitgestald in het museum. En dankzij die bodemschatten zijn we vandaag de dag toch aardig wat over onze voorvaderen aan de weet gekomen.
.
In het Hunebedcentrum – overigens gelegen pal naast het grootste hunebed van ons land – zijn al die wetenswaardigheden verzameld. Het centrum biedt overigens niet alleen veel informatie over de dolmen, maar volgt vooral ook het spoor van de bouwers ervan. Daarbij wordt een impressie geboden van hoe het dagelijks leven van deze voorouders eruit zag. Hoe deze mens evolueerde van jager tot boer.
.
Tot 5000 voor Christus leefde men van de jacht, de visvangst of het verzamelen van eetbare planten. Van een vol Nederland was geen sprake: naar schatting slechts een paar honderd mensen trokken rond. Later werd de overstap gemaakt naar landbouw en vestigde men zich op één plek door huizen te bouwen.
.
In het midden van het centrum staat een nagebouwd hunebed. Waarbij het bovendien mogelijk is naar het binnenste af te dalen. Tenminste, voor de mensen die niet al te claustrofobisch zijn ingesteld. Het is namelijk dringen geblazen. Zeker wanneer er soms hele groepen schoolkinderen afdalen. Want er is alles aan gedaan om het Hunebedcentrum leuk te maken voor de jeugd. Zo kunnen ze in de huid kruipen van een archeoloog, maar ook hun eigen hunebed bouwen. En dan is daar voor de jongste bezoekertjes Oek, het zesjarig zoontje van een hunebedbouwer dat allerlei avonturen beleeft. Oek is de mascotte van het centrum en zijn stenen beeltenis staat pontificaal voor de ingang.
.
Het Hunebedcentrum beantwoordt vele vragen, maar tegelijk blijven ook vele vragen open. Omdat immers schrijven, lezen en de boekdrukkunst nog science-fiction waren, kunnen wetenschappers eigenlijk weinig anders dan speculeren hoe het er in die tijd aan toe moet zijn gegaan. Maar ach, dat prikkelt juist de fantasie.
.
Het Hunebedcentrum is dagelijks geopend. Van ma. t/m vr. van 10.00 tot 17.00 uur
za. en zo. van 11.00 tot 17.00 uur. Gesloten op 30 en 31 dec. en 1 jan.
.
Voor meer informatie:
hunebedcentrum

.
Auteur: Jan Colijn

Start Auteurs Bron Agenda Uitleg Actueel Vlootshow History Boek/Actie Reacties Links Zoeken
Verhalen Poelgeest Trekschuit Tolhuysch Postbrug Strandwallen Algemeen Boerhaave ZwarteTulp Keukenhof Manpadt Haarl_Meer
Leiden Oegstgeest Warmond Voorhout Noordwijk Noordw_hout Lisse Hillegom Vogelenzang Bennebroek Heemstede Haarlem

Bewerkt: zaterdag 3 november 2018