Trekvaart Leiden - Haarlem

( H O O F D M E N U )


.


.
C O N D I T I Ë N

.
  Conditiën, waarna de Heeren Commissarissen van het Zandpad tusschen Haerlem en Leyden presenteeren te verhuuren de Tollen, die aan yder der respective Tol-Hekken tusschen de twee voornoemde Steden moeten worden betaald.

Articul I.
  Den Huurder zal deswegens ontfangen volgens de Lyste hier navolgende, en wel aan yder Hek in 't byzonder, te weeten :
Een man te Voet een halve Stuyver.
De kinderen van twaalf Jaar of daar beneden tot zes Jaaren te betaalen halve Tollen, en onder de zes Jaaren vry te laten.
Een man te Paerd één Stuyver.
Van yder Paerd, Os, Koe of ander Hoorn-Beest, dat geleyd of gedreven word, een halve Stuyver.
Van yder Pink, Vaers, Kalf, Schaap of Varken 1/4 Stuyver.
En daarenboven van de Dryvers voor hunne Persoonen 1/5 Stuyver.

Wel verstaande, dat het verweyden der Beesten hierinne niet is begrepen, dewelke van haar ordinaris Weg zyn afgesneden.
Mitsgaders, dat het niemand als de Huyslieden, byzondere betrekking tot het zandpad hebbende, vry zal staan de voornoemde Weg met drift Varkens te passeeren.

Van een Koets, Wagen, Karre of Chaize één Stuyver.
Behoudelyk, dat yder Perfoon, zittende in de voornoemde Koets of op de Wagen, Karre of Chaize, daarenboven zal betaalen één Stuyver.
Des zal de Voerman of Knecht, die de Koets of de Wagen ment, daar vry van zijn.
.
Articul II.

  Den Huurder van het Tol-Hek aan de Haerlemsche zyde, zal daarenboven van yder Rytuyg den Boom aldaar passeerende, nog ontfangen eene Stuyver.
.
Articul III.

  Des is tot meerder encouragement en om een proef te neemen tot verbeetering van de Passagie langs de Trek-Weg, en over zulks tot meerder beneficeering der Tolle en Gabelle, goedgevonden en geresolveerd, dat de Tol of 't Weg-Geld, welke aan de Slagboom op Halfwegen tot nu toe by Collecte is geheeven, geduurende deeze zesjaarige Verhuuring niet zal worden gevorderd en voorschreve Slagboom ten dien einde voor alle en een iegelyk zal openstaan.
.
Articul IV.

  Van alle Schepen of Schuyten, het zy groot of kleyn, met of zonder Ladinge, door de trekvaart vaarende, het zy dezelve met de Lyn langs de 'Treck-wegh' getrokken of met de Boom gevaaren worden of niet, één Stuyver.
En van de zulken, die met een Paerd getrokken worden, twee Stuyvers.
Doch de Schippers en Knechts daarop zynde, zullen van de Tollen vry zyn, des niet te min zal van yder Persoon, in de voorschreve Schuyten zittende, ontfangen worden één Stuyver.
Onder de voorschreve Schuyten werden mede begrepen en zullen midsdien mede gehouden zyn den voorschreve Tol te betalen, de respective Markt- of Pak- Schuyten van Rotterdam, 's Gravenhage en andere Steden, de voorschreve Trekvaart passeerende, zonder dat nochthans de Passagiers, die in dezelve Schuyten zouden mogen werden overgevoert, voor hun Persoon de voorschreve Tol verschuldigd zullen zyn, als werdende de Gabellen voor dezelve Passagiers ten behoeve van den Huurder der Gabellen in de Trek-Schuyten goed gedaan en verantwoord.
De Jachten en ordinaris Veer-Schuyten van de beyde Steden, gelyk mede de Jachten van de respective Collegien, mitsgaders de Plaizier-vaartuygen van Lieden, hunne Buyten-Plaatsen aan de Trekvaart hebbende, als ook de Jachten van andere Steden (mits alvorens doende blyken, dat de Jachten van beyde de Steden Haerlem en Leyden van gelyke Vrydomme quaamen te gaudeeren) zullen hier van vry en exempt zijn.
Voorts zal van de andere Plaizier- of Tent-Schuyten, op de naast gelege Dorpen, de Trekvaart passeerende, en meerder als zes Persoonen inhebbende, ontfangen worden zes Stuyvers.
Doch minder Persoonen in hebbende zal van yder ontfangen één Stuyver.
Van yder Vlot-Hout, het geene de Vaart komt te passeeren, en zulks van yder lengte van een balk zo veel ér achtereen zoude mogen zyn, zal worden ontfangen 1/3 Stuyver.
En voor yder Paerd, waarmede hetzelve word getrokken, één Stuyver.

.
Articul V.

  Den Huurder zal zorge dragen, dat niemand met eenige Schepen of Schuyten in de voorschreve Trekvaart komt te Zeylen, met hoedanigen Zeyl het ook zoude mogen zyn, en zulks bevindende, de zodanigen vermogen af te vorderen een Boete van f. 3,00
.
Articul VI.

  Dezelve zal, zo veel in hem is, goede toezicht neemen, dat geen Schippers of Knechts van de Boere Schuyten eenig ander Volk komen te voeren, als hunne eygene Plaats, of eenig Volk uyt te zetten, of onderweg in te neemen, als op haar Dorpen en op de ordinaire Veer of aan de Tolhekken, en dezelven daarop bevindende, vermogen af te vorderen een Boete van zes Gulden, ten lasten van de Schippers, die zulks hebben gedaan.
.
Articul VII.

  Zal ook niet toelaten, dat iemand eenige Beesten, het zy Paerden of eenige Hoorn-Beesten langs den Dyk laat loopen, maar daarvoor te mogen afvorderen een Boete van 3 Gulden, en van yder Kalf 6 Stuyvers.
En den Eygenaar niet kunnende ontdekken, zal de zodanige Beesten in een Schut-Hok brengen, en dezelve aldaar van het noodige Voer bezorgen, tot dat den Eigenaar zig komt op te doen, van wien hy boven en behalven de Boete hier vooren vermeld, nog zal mogen afvorderen voor yder dag, dat die Beesten aldaar zullen hebben gestaan, twaalf Stuyvers.
Doch zal dezelve Beesten niet langer als acht dagen behoeven te bewaaren, en zig binnen dien tyd niemand als Eygenaar komende op te doen, dezelve vermogen te verkoopen, en daarvan aftrekkende de gemelde Boeten en Onkosten by hem gedaan, het overschot brengen ter Secretary der respective Steden, alwaar de Eygenaar hetzelve zal moeten zoeken.
.
Articul VIII.

  Den Huurder zal zorge moeten draagen, dat geen Schepen of Schuyten met staande Masten leggen in de Vaart aan de zyde van het Zandpad, en dit bevindende, de zodanige beslaan in eene Boete van ééne Gulden tien Stuyvers, ten waare by noodzakelykheyd in cas van Lossing of anderzins, in welk geval altoos zorg zal moeten worden gedraagen, dat de Lynen van de passeerende Schuyten behoorlyk worden overgegeeven.
.
Articul IX.

  Gelyk hy mede niet zal toelaaten, dat iemand zyn gezonken Schuyten in de Grond laat leggen, op eene Boete als boven.
.
Articul X.

  Item, dat niemand zyn Schuyten langs het jaagpad legge, zonder boven dezelve te stellen een bequaame Balie, op een Boete als boven.
.
Articul XI.

  Ingelyks, dat niemand het Zandpad, daar het Jaagpad loopt, met Wagen of Karre bereyde of sleepe met eenige Vrachten, op Boete als boven.
.
Articul XII.

  Dat niemand eenige Boomen, Belten van Vulnis, Mist, of andere Materie , langer op de 'Treck-wegh' laate leggen als vier dagen, op de verbeurte van één Gulden voor yder dag, dat dezelve bevonden word daar na de voorschreeve vier dagen gelegen te hebben. Gelyk ook, dat niemand eenig Vulnis, hoe genaamd, in de Vaart kome te gooijen, of op de Weg te werpen eenig Snoeysel, Scheersel, Onkruyd en diergelyke, dewelke uyt de Tuynen en Woonhuyzen, aan dezelve Vaart leggende, worden uytgebragt en als Vulnis weg geworpen, op een Boete van 30 Stuyvers.
.
Articul XIII.

  Den Huurder zal niemand de Hekken behoeven te Laaten passeeren, zonder den Tol te betaalen, ten zy hy Specialyk daarvan volgens de onderststaande Lyste worde geëximeerd, en iemand contrarie doende, mogen afvorderen een Boete van ƒ 1-10. En, ingevalle het mogte gebeuren, dat des Winters by beslooté Water de Passagiers voor de Hekken van de Rytuygen quamen af te treden en over het Ys gingen, en daarna, als de Rytuygen door de Hekken gepasseerd waren, zig wederom op dezelven plaatsten, zonder de Gabellen te betaalen, zal de Huurder de Wagenaars, of wie het ook moge wezen, daarvoor in hunnen particuliere Persoonen moge aanhouden, en van dezelven de verschuldigde Gabellen der afgetredene Persoonen afvorderen.
.
Articul XIV.

  Alle welke voornoemde Boetens zullen komen ten profyte van den Huurder, of van die geene, die de Bekeuringe van zynent wegen komen te doen.
.
Articul XV.

  En zullen van deeze Vrydommen gaudeeren de Raaden en Vroedschappen van beyde de Steden
de Commissarissen en Penningmeesteren van het Zandpad
Pensionarissen en Secretarissen, zo met hun eygen als ander Rytuyg en byhebbend Gezelschap
de Heer Bailliuw
Dykgraaf
Hoog-Heemraaden
Rentmeester
Secretaris
Casteleyn
Bodens en verdere Bediendens van Rhynland
mitsgaders de Stedehouder van dezelve Bailliuw
de Heer Bailliuw
alsmede de Secretaris, Stedehouder en Bode van Kennemerland
de Heer Bailliuw en Houtvelder van Brederode
de Heer Bailliuw van Blois
de Heer Bailliuw van Noordwyker-Hout met deszelfs Stedehouder
de Heer Bailliuw van Oestgeest
de Dienaars van de Justitie van de voorsz. respective Bailliuwen
de Onder-Schouten van de twee Steden, als met Gevangenen de Hekken komen te passeeren
de Fabryken en Bazen van het Zandpad, doch maar voor zig zelfs en hunne Rytuygen
mitsgaders het Werkvolk, en voorts alle zodanige Persoonen aan welke specialyk Vrydom aan de respective Tol-Hekken is verleend, en die daarvan behoorlyk kunnen doen blyken. Gelyk ook mede vry zal zyn de Militie van den Staat, op Patent of andre hooge Ordres marcheerende.
.
Articul XVI.

  De Huurders der respective Tol-Hekken, zullen geduurende de tyd van hunne Huur-Jaaren, tot hun gebruyk en bewooning hebben, de respective Huyzingen en Erven, aan yder der voorschreve Tol-Hekken staande, des, dat zy verpligt zullen zyn dezelve zo van buyten als van binnen Glasdigt te onderhouden, en in behoorlyke ordre wederom over te leveren. En dat met relatie tot den Huurder van 't Tol-Hek aan de Leydsche zyde tot zyn gebruyk hebben het Tuyntje aldaar, waaronder echter al het wassend Hout, en de Grond waarop hetzelve staat, niet werd begreepen, als behoudende de Heeren Verhuurders al hetzelve ten hunner profyte, insgelyks zal dezelve moeten gedogen, dat de oude Schuur, die aan het begin van de Tuyn staat, alsmede het Schuytenhuys, worden geamoveerd.
.
Articul XVII.

  De Huur-Penningen met het Rantzoen alleen voor het eerste jaar tegens twee Stuyvers van de Gulden, zullen betaald moeten worden yder Vierendeel-Jaars een gerecht gedeelte, uyterlyk voor den Twaalfden Dag van de Vierde Maand, binnen de Steden voornoemd aan de Penningmeesters aldaar, zonder dat den Huurder eenige kortinge daar aan zal mogen doen, uyt wat Pretensie hetzelve zoude zyn, of tot eenige Doleantie te worden geadmitteerd
alzo deze verhuuringe geschied, dat den Huurderren zynen kosten, baate enschade den Tol zal moeten invorderen en de onwilligen tot de betaalinge constringeeren, volgens de Ordonnantie, waartoe de Heeren Gecommitteerdens van de twee Steden, des verzocht, hun Auctoriteyt zullen interponeeren, tot onderhouding van de voornoemde Ordonnantie.
.
Articul XVIII.

  Voor de voldoening van welke, en het presteeren van de bovenstaande Conditiën, den Huurder gehouden zal zyn te stellen twee suffisante Borgen, ten genoegen van de voornoemde Heeren Gecommitteerdens, onder Renunciatie van de Beneficien Ordinis feu Excussionis & Divisionis.
.
Articul XIX.

  De voornoemde Huur zal ingaan den eersten Mey 1771 en eyndigen den laatsten April 1777.
.
Articul XX.

  De Uytlegging of Interpretatie van deeze Conditiën, voor zoveel eenige Duysterheyd zouden mogen behelzen, houden de Heeren Gecommitteerdens aan haar.
.
Articul XXL

  De huurders zullen gehouden zyn een exemplaar van deze Conditiën altoos voor de hand te houden, om dezelven ten allen tyden te vertoonen, aan den geene, die zulks requireeren zal, of dezelve van nooden mogten hebben.
.
Aldus gedaan en geresolveerd, den 15 January, 1771.

.
Ter Ordennantie van de Heeren,
Burgemeesteren en regeerders
der Stad Haerlem.

O. van Schuylenburgh
Ter Ordennantie van de Heeren,
Burgemeesteren en regeerders
der Stad Leyden.

Ysbrand van Dam.

.
  [down] "Conditiën van verhuring van de tollen aan de “Haerlemmer Treck-vaert'", c.1771.
(met dank aan Ada Smiths-Ciggaar Oegstgeest)
 [up]