Trekvaart Leiden - Haarlem
Met name 'Haarl.Meer' bekeken
.
( H O O F D M E N U )

We schrijven het jaar 1 1 5 0
.
  In 1150 stroomden nog hele delen van Nederland onder water. Door de eb- en vloedbeweging ontstaat daardoor een landschap met kleine meren, vaak door smalle landstroken van elkaar gescheiden.
In 1170 en in 1196 veroorzaakten zware stormen de definitieve scheiding tussen Noord-Holland (west Friesland) en Friesland. Daarmee werd de Zuiderzee gevormd en daarmee een open verbinding met het IJ. Jaren later, op 20 november en 28 december 1248 breidden weer 2 zware stormen het gebied der Zuiderzee uit.
In die tijd zijn ook het Leidsche Meer, het Spieringmeer, het oude Haarlemmermeer en het Oude Meer ontstaan met een gezamenlijke oppervlakte van 9.100 hectare. De meren worden bij elke westerstorm groter: steeds weer vreten de golven nieuwe stukken uit de slappe grond.
In de 16de eeuw werden eerst de kleinere meren in het noorden van Holland drooggemalen, om te zien hoe dat in de praktijk zou gaan.
.

Verenigd tot één uitgestrekte plas in 1583

.
  Inmiddels zijn alle stroken land tussen de meren verdwenen. De vier (meren) hebben zich verenigd tot één uitgestrekte plas, het Haarlemmermeer. Door een hoge watervloed ontstaan verschillende dijkbreuken langs het IJ, waardoor grote schade ontstond. De eerste voorstellen tot droogmaking van het Meer worden overwogen.
Het hoogheemraadschap van Rijnland is tegenstander van de droogmaking vanwege het verlies aan waterberging. Haarlem heeft scheepvaartbelangen, en Leiden vreest derving van inkomsten uit de visserij, het zgn. vroonrecht. Met koppigheid houden de bestuurders van Leiden aan dit recht vast, ook al vloeit het water over de weg tussen Haarlem en Amsterdam.
Al in 1435 wordt door hertog Philips van Bourgondie duidelijk gemaakt “dat niemand in het gemelde water zonder bewilliging van de stad Leyden zoude visschen, noch eenighe ruigh mocht snyden, noch vervoeren op zekere boeten, door den schout van de overtreders te vorderen ”. Het vroonrecht werd in 1483 aan Leiden verkocht en bracht de stad jaarlijks bruto zo’n f 200.000 op.

.

Bij Katwijk wordt de uitwatering in 1804 gegraven

.
  Jan Adriaensz.Leeghwater (1575-1650) werd de grote man achter veel droogmakingen in de 17de eeuw. Ten zuiden van De Rijp bouwde hij in 1606 voor zichzelf de eerste achtkantige oliemolen met stamper. Daarop volgde de droogmaking van de Beemster (1612), Dat was een zeer groot karwei waarbij ca. 7000 hectare, tot 3.50 meter diepte droog gemalen moest worden. Daarna volgden o.a. de Purmer (1622), Wormer (1626), Heerhugowaard (1631), Schermer (1635), en nog vele anderen. Hij was een man met visie: al in 1629 ontvouwde hij een eerste plan voor de droogmaking van het Haarlemmermeer. In 1635 werd dit gevolgd door een tweede, en in 1641 door een derde en laatste plan
dat werd neergelegd in het “Haarlemmermeerboek”. Het omvatte het bedijken van het Meer en het droogmalen in molengangen met maar liefst 160 windmolens, vanwege de diepte van het water. Het boek is tot de echte droogmaking in 1852, als bron voor andere plannenmakers, zeer belangrijk gebleven.
.

De plannen voor de ringvaart bij Buitenkaag

.
  De plannen voor droogmaking van de Haarlemmermeer en de Leidsche Meer, de Oude Meer en de Spieringmeer, vonden vanaf het begin al tegenstand van de steden Leiden, Amsterdam en Haarlem, en van het Hoogheemraadschap. De steden hadden visrechten, en waren bang de inkomsten te daarvan te verliezen en het Hoogheemraadschap kon geen plan bedenken voor het lozen van het teveel aan water, anders dan bij eb. Bovendien bestond het centrale gezag uit de Staten Generaal, waarin mensen zaten die zelf belang hadden bij het in stand houden van het bestaande afwateringsysteem.
.

Gemaal LEEGHWATER bij Buitenkaag

.
  Tijdens de droogmaking bleek dat het gemaal Leeghwater uitermate ongunstig was gesitueerd. Het moest vaak ‘tegen de stroom in’ malen. Ook het gemaal zelf had regelmatig met technische problemen te kampen. Zo brak in 1850 de pompbalans, waardoor het gemaal geruime tijd buiten werking was.
Tot 1912 functioneerde De Leeghwater op stoomkracht. Sindsdien leverden afwisselend diesel- en elektromotoren de kracht die nodig is om de beide centrifugaalpompen de polder te laten droog houden.
Tegenwoordig wordt de Leeghwater alleen nog in bedrijf gesteld wanneer het gemaal Lynden in geval van bijvoorbeeld zware regenval het water niet alleen verwerken kan. Reden voor het zo min mogelijk gebruiken van de Leeghwater als reservegemaal is het hoge zoutgehalte van het water in de bodem van de Haarlemmermeerpolder. Voortdurende uitmaling hiervan zou het kwetsbare watermilieu in de wijde omgeving van het gemaal, waaronder de Kagerplassen, al te nadelig beïnvloeden. Een punt dat vaak over het hoofd werd gezien bij het oorspronkelijke plan windmolens te gebruiken is de tijd benodigd voor het droogmaken van het Meer met molens. Blanken Jansz. kwam met zijn berekeningen uit op 10 jaar!
.

.
Onder de titel “Aan de Leeuw van Holland” dicht Vondel in 1641:

.
“Wat baat het met uw klauw al ’t Oost en West te plokken,
Nadien u bijt in ’t hart dees wrede waterwolf,
Nu uit, om over u eerlang te triomferen.
O, Landleeuw waak eens op en wek met enen schreeuw
Al ’t veen, de Kennemers en Rijnlands oude heren
Met d’Amsterlanderen tot noodhulp van hun leeuw
Men sluite met een dijk dit dier, dat U komt plagen.
De windvorst vlieg’er met zijn molenwieken toe,
De snelle windvorst weet de waterwolf te jagen
In zee, vanwaar hij u kwam knagen nimmermoe.
De veenboer zit en wenst dees water-jacht te spoeien
En ’t veenwijf roept: hij ruimt. De landleeuw weidt op ’t ruim,
En zuigt zijn long gezond aan d’uiers van de koeien.
Zo wint de landleeuw land, zo puurt hij goud uit schuim !”.

.
  De volgende man die een belangrijke invloed had op het droogmaken van de Haarlemmermeer was Nicolaas Cruquius (1678-1754) Hij was geboren met de naam Nicolaas Kruik, maar later veranderde hij zijn naam in de Latijnse versie: Cruquius. Hij was zijn loopbaan begonnen als particulier (zelfstandig) landmeter. Het is in deze functie, dat hij in 1720 een opdracht krijgt van de burgemeester van Leiden, Johan van de Bergh. Cruquius werd gevraagd om een oplossing te vinden voor de slechte staat van het water in de Leidse grachten. Hij zag de oplossing in een uitwateringssluis bij Katwijk zodat er een sterkere spoeling van de grachten zou ontstaan. Tevens zou deze uitwatering kunnen dienen als extra waterlozing voor het geval dat het Haarlemmermeer drooggemalen zou worden. Juist op dat droogmalen van het Haarlemmermeer rustte in die tijd een taboe omdat de drie grote steden (Haarlem, Leiden en Amsterdam) hun scheepvaartbelangen daardoor in het gedrang zagen komen. Ook het Hoogheemraadschap van Rijnland zag dan zijn grootste water opvanggebied komen te vervallen (Zij verzetten zich daartegen).

.
  De uitwateringssluis bij Katwijk was zo ongeveer het stokpaardje van Cruquius wat het droogmalen van het Haarlemmermeer betrof. Zo verrichte Cruquius vanaf 1729 in de boezemwateren van Rijnland, in het Y en in de Noordzee bij Katwijk, waterpassingen en peilingen. Door die paar jaar onderzoek kwam hij tot de conclusie dat de meest gunstige lozing van Rijnland bij Katwijk was. Zo als hij het zelf stelde
“Eéne sluys aan de Noordzee soude tot waterlosing soveel dienst doen als 6 of 7 aan het Ye”.
Hij was zo overtuigd van het nut van een ruime uitwateringssluis bij Katwijk dat hij stelde dat deze droogmaking (Haarlemmermeer) te eene male onmogelijk zou zijn zonder deze sluizen. Deze sluizen zijn overigens later ook gebouwd als ontsluiting van Rijnland.
.

  [down]Stoomgemaal bij Katwijk (c.1881).  [up] 
Afb.(c) BRE

.
  In 1742 krijgt Cruquius een opdracht van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland om een droogmakingplan voor het Haarlemmermeer te maken. Dat was in de tijd dat Rijnland inzag dat de voordelen van het Haarlemmermeer niet meer opwogen tegen de nadelen.
Bij deze opdracht kreeg Cruquius de hulp van Jan Noppen, opziener van Rijnland te Halfweg, en Melchior Bolstra, landmeter en kartograaf van Rijnland. Met zijn drieën ontwierpen ze het meest uitgewerkte en best gedocumenteerde plan uit de 18e eeuw. De bedoeling was om het Kager- en Spieringmeer buiten de omdijking te laten. Voor de droogmaking dachten ze 112 molens nodig te hebben en natuurlijk kwam Cruquius zijn stokpaardje weer naar voren namelijk de uitwateringssluizen bij Katwijk. De Topografische kaart bij dit plan is bekend als de Bolstra-kaart.

.
  Behalve door het naar hem genoemde gemaal, is hij ook bekend van de temperatuurmetingen die hij in Delft begon in 1705. Hij noteerde drie maal per dag de temperatuur, de luchtdruk, vochtgehalte en neerslag. Nederland was een van de eerste landen waar dit werd bijgehouden, en beschikt als enig land over 300 jaar onafgebroken metingen. Zijn metingen zijn later de aanleiding geweest voor het ontstaan van het KNMI. Voor de beroemde arts Herman Boerhaave, bij wie hij in 1717 ging studeren, maakte hij een reiszonnewijzer en hij ontwierp afstandstabellen, waarbij vanaf het meetpunt en woonhuis van Boerhaave, Oud Poelgeest, alle steden en dorpen in de buurt vermeld staan in minuten en kwartieren gaans. (looptijd/loopafstand)
.
  Cruquius was overtuigd van het nut van weerkundige waarnemingen om vast te kunnen stellen hoe Nederland tegen het dreigende geweld van de zee, storm en regen kon worden beschermd. Hij diende in 1725 bij de toenmalige regering, de Staten van Holland een verzoek in om financiële steun voor de meteorologie en de invloed van het weer op de waterstaat. Hij voorzag problemen door de stijging van de zeespiegel, dichtslibben van het IJ.
.


Cruquius stoomgemaal in 1849


.
  Het stoomgemaal De Cruquius langs de Ringvaart van de Haarlemmermeer is naar Cruquius genoemd, evenals het dorp waar dat gemaal staat. Het stoomgemaal is in 1849 gebouwd. In drie jaar tijd pompte dit gemaal, samen met de Lynden en de Leeghwater het Haarlemmermeer droog. Nu is het grootste gemaal ooit in de wereld gebouwd een museum. Nicolaus Samuelis Cruquius Het was onlangs precies 300 jaar geleden dat Cruquius, geboren op Vlieland in 1678, overleden in Spaarndam in 1754, begon met zijn weerkundige metingen. Voor Museum De Cruquius aanleiding voor een tentoonstelling over leven en werken van deze bijzondere man. Dankzij Cruquius, of "Kruik" zoals zijn voorouders oorspronkelijk heetten, beschikt Nederland over een unicum in de wereld: een ononderbroken reeks weermetingen van drie eeuwen.
.
  De bouw van de Cruquius is bepaald geen sinecure geweest. Met de beperkte technische middelen die in die tijd ter beschikking stonden moest er een bouwput van 8 meter diep worden gemaakt
voor de fundering moesten in totaal 1660 palen worden geheid, de vaak vele tonnen zware gietijzeren elementen moesten worden aangevoerd en ter plekke gemonteerd. En dat alles veelal met handkracht, want hijskranen die op stoom werkten bestonden toen nog niet. De bouwput zelf bleek een nachtmerrie: men stuitte op een dikke schelpenlaag, die van nature sterk waterdoorlatend is, en slechts met de inzet van man en macht lukte het om de bouwput droog te houden.
.
  In 1912 werd het reservegemaal en in 1933 werd op 10 juni het gemaal met een feestelijke laatste pompslag gesloten. Daarna stond de tijd voor de Cruquius stil. Op het nippertje ontsnapte dit unieke stoomgemaal aan de sloop, toen op 22 oktober 1934 de Stichting De Cruquius werd opgericht die het oude gemaal onder haar hoede nam, in een museum omtoverde, en uiteindelijk, dankzij de hulp en inzet van velen, weer tot leven wekte.
.

Het CRUQUIUS gemaal bij Vijfhuizen


.
  Na drie eeuwen plannen maken werd uiteindelijk in 1837 door koning Willem I een Staatscommissie ingesteld die de droogmakings plannen op hun uitvoerbaarheid moest beoordelen. Willem I stond bekend als de "koopman-koning", een man met een zwak voor alles wat modern was, in het bijzonder ook voor stoomtechniek. Na de blamage van de afscheiding van België wilde hij Nederland op de kaart zetten met de droogmaking van de Haarlemmermeer. Op 22 maart 1839 werd een daartoe strekkend wetsvoorstel aangenomen, gebaseerd op het oorspronkelijke plan van Realisatie van de droogmaking zou gebeuren met behulp van drie daartoe te bouwen stoomgemalen. Voor het ontwerp van de gebouwen in neogotische stijl tekende de Nederlandse waterstaatsingenieur Jan Beierink (1800-1874), terwijl de machines werden ontworpen door Joseph Gibbs en Arthur Dean uit Londen. De stoommachine zelf werd gebouwd door Harvey & Co in Hayle (Cornwall), de pompen door Fox & Co in Falmouth (Cornwall), en de balansarmen en stoomketels door Van Vlissingen & Dudok van Heel in Amsterdam.
Met hun neogotische elementen, zoals kantelen, steunberen, spitsbogen en rijk geornamenteerd traceerwerk, de fraaie gietijzeren elementen (trappen, pilaren, enz.) in de machinekamer, en uiteraard de enorme stoommachine zelf met de balansarmen en pompen, waren deze drie gemalen ware kathedralen van techniek, waarin het beeld van de vooruitgang letterlijk in gietijzer was gegoten.
.
  De toen zeer moderne gemalen, met pompen in plaats van schepraderen, konden het werk aan van meer dan 80 molens en voerden het opgepompte water via de Ringvaart af.
.

Het stoomgemaal DE LYNDEN bij Halfweg


.
  Het gemaal bij Halfweg is genoemd naar Mr. Frans Godard baron van Lynden van Hemmen (1761-1845) die tot 1795 aan het hof was van Willem V. Tijdens de Franse overheersing legde hij uit protest hiertegen al zijn ambtelijke functies neer. In Dec. 1813 werd hij hoofd-administrateur der domeinen en later president van den Hoogen Raad van Adel
hij was ook lid der 1ste kamer van de Staten-Generaal. Deze Baron had een grote interesse voor de waterbouwkunde. Vanuit die interesse kwam hij in 1821 met zijn boek “Verhandeling over de droogmaking van de Haarlemmermeer”. Dit is het eerste plan waarbij ook stoomkracht genoemd word als middel voor het droogmalen van het Haarlemmermeer. Van Lynden dacht maar liefst achttien stoomgemalen nodig te hebben!
.
  In 1819 gaf de koning toestemming om te komen tot “een onderneming van droogmaking”. Dit betekende, kort gezegd, dat de vorst liet onderzoeken of er belangstelling en steun bestond voor inpoldering van het Haarlemmermeer. Een jaar later ontving hij een positief rapport. De situatie veranderde echter toen door een crisis in de landbouw de grondprijzen drastisch daalden. Daarmee werd de belangstelling voor inpoldering veel minder wat tot gevolg had dat de plannen in 1823 opnieuw op de lange baan geschoven werden.
.
  Toen in de winter van 1836 twee zware stormen het water van het Haarlemmermeer zo hoog opstuwden dat Amsterdam en Leiden erdoor bedreigd werden vroeg burgemeester Van de Poll van Amsterdam aan Koning Willem I om in te grijpen. In 1837 stelde de koning daarom een staatscommissie in die de bestaande droogmakingsplannen op hun uitvoerbaarheid moest beoordelen. Het rapport van de commissie was al na twee maanden klaar en bevatte het voorstel om de droogmaking uit te voeren met behulp van drie kleine stoomgemalen en 79 grote windmolens. De koning, fervent voorstander van bemaling uitsluitend op stoomkracht, gaf daarom opdracht aan de commissie Mentz om de mogelijkheid daartoe gericht te onderzoeken.

.
  In september 1839, maar liefst twintig maanden na het geven van de opdracht, verscheen een miniem rapportje, waaruit slechts bleek dat de vier leden van de commissie het niet met elkaar eens waren. In het najaar van 1840, na een tweede opdracht aan de commissie in andere samenstelling adviseerde deze ten gunste van stoombemaling.


Stoomgemaal bij Lynden


.
  Het voorstel tot droogmaking van het Haarlemmermeer moest echter ook nog door de Tweede Kamer goedgekeurd worden. In april 1838 werd het plan verworpen met 46 stemmen tegen en slechts twee stemmen voor. Deze uitslag was vooral te wijten aan het feit dat het plan tot droogmaking van het Haarlemmermeer gekoppeld was aan o.a. het voorstel tot aanleg van de Rijnspoorweg. Op 22 maart 1839 werd een nieuw wetsvoorstel tot droogmaking van het Meer echter aangenomen met een zeer ruime kamermeerderheid. De koning ondertekende nog op dezelfde dag de eerste wet betreffende een geldlening voor dit project van acht miljoen gulden. Na drie eeuwen plannen maken kon de droogmaking beginnen!
.
  Koning Willem II (1792-1849) bekrachtigde op 10 juli 1847 de overeenkomst tussen het Rijk en het hoogheemraadschap van Rijnland met betrekking tot het behartigen van de belangen van Rijnland bij de algehele afsluiting van het droog te maken Haarlemmermeer. Hij was het ook die invloed uitoefende op de architectuur van de gemalen. De vorst was tijdens zijn studie in Oxford zeer onder de indruk geraakt van de in Engeland zeer populaire neogotische bouwstijl waarin nieuwe bedrijfsgebouwen en fabrieken werden opgetrokken. Koning Willem II toonde zich een invloedrijk voorvechter van het toepassen van deze stijl bij de bouw van de stoomgemalen aan het Haarlemmermeer.
.
  Het oude poldergemaal De Lynden is buiten gebruik gesteld in 2005. Het wordt niet afgebroken want het heeft een status als monument. Het oude gemaal De Lynden is namelijk één van de meest markante gemalen van het hoogheemraadschap. Het heeft een neogotisch kasteelachtig uiterlijk met kantelen. Aan de schoorsteen is nog te zien dat dit oorspronkelijk een stoomgemaal was. In de loop der tijd is de stoomaandrijving vervangen door dieselmotoren en elektromotoren.

Ontlasting boezemwater via Katwijk

Afb.(c) HHRSRL
  Topographische kaart van de situatie der beide Catwijken benoorden den Rhijn, voorstellende het project tot weene ontlasting van Rhynlands boezemwater in de Noord Zee:
volgens schriftelijk rapport wegens het zelve project :
Nota De nevensgaande situatie ten oosten den Rhyn, door de toevoeging van een additioneel kanaal naar de geprojecteerde uitwatering / door Frederik Willem Conrad, Arie Janszoon Blanken en Simon Kros op specialen last van dijkrichter en hoogheemraden van Rhijnland, uitgebragt den 2 april 1803

D. Veelwaard, sculps. 1803, nader gegraveerd in den jaare 1810. - Schaal [ca. 1:8.000]. - 1810. - 1 kaart :
kopergravure 42x56 cm, blad 47x60 cm
.
  Toelichting:
- Schaalstok van 250 roede = 122 mm. - Noord ten oosten boven. -
- Bevat N.B. met aanduidingen over waterpassing. -
- Bevat inkleuring van Uitwaterings- en Additionele Kanaal. -
- Bijlage (gemerkt no. 1) bij:
- Memorie wegens de executie van het kanaal en daar mede verbonden groote werken, ter uitwatering van Rijnlands boezem in de Noordzee, bij Katwijk aan Zee, als een vervolg, of toevoeging van het rapport van F.W. Conrad, A. Blanken Jansz. en S. Kros van grasmaand 1803 / geformeerd ... door A. Blanken Jansz. en S. Kros. -
- Aantal exemplaren: 2. - OAR inv.nr. 5137.
.


  [down] Amsterdam ten tijde van c.1342.  [up] 
Afb.(c) MDC
  Het Haarlemmermeer werd steeds door stormen en dergelijke geteisterd. Zo staat er ook in de geschiedenis beschreven, dat het water ooit eens tot aan de poorten van Amsterdam en Leiden heeft gestaan. Naar waarschijnlijkheid toen een dringende reden er iets aan te gaan doen (hoog tijd na 2 eeuwen plannen maken).
.


  [down] Het Haarlemmermeer (c.1551).  [up] 
klik voor een vergroting
Afb.(c) BRE
  De Haarlemmermeer is van lieverlee uitgebreid in oppervlakte
door de eeuwen heen. Op de kaart staat de periode 1551 tot 1808 vermeld. Het was een proces van jaren dat door de vele overstromingen, de losse meertjes, poeltjes en rivieren werden versmolten tot een grote woeste zee. Het was ook wel een logisch gevolg van de vele veen afgravingen die in die tijd plaats vonden. let op de gearceerde gedeelten oa. ten N.O. en Oosten van Leimuiden. In de tijd dat ik er woonde kan ik mij nog wel de veenplaatsen herinneren. Leimuiden zelf (het dorp) ligt ook enkele meters boven het (afgegraven) weiland ernaast.
.


  [down] Haarlemmermeer (1640), nu al 20.000 morgen groot.  [up] 
Afb.(c) HHRSRL
  Caerte ende voorbereijdinge tot het bedijcken ende droochmaken vande Harlemummer Meer omte vertoonen aende e. wijse voorsienige heeren dijckgraeff ende hemraden van Rijnlandt, dat die selve met goeden raet en. daet de hant daer mede willen aenhouwen om 't gemene lants beste te soecken om dit groote heerlijcke werck eens bijder hant te neemen om te bedijcken ende met Godes hulpe tot goet landt te brengen ende profijt doen / Gedaen door Gedaen door Jan Adriaenszoon Leeghwater ingenieur ende molenmaker vande Rijp in Noort Hollant met naersticheijt ondersocht den grond gepeijlt, geboort ende daer op gespeculeert, ende alhier in een caerte gestelt tot het behagen vande E. Groot.
Schaal [ca. 1:40.000]. - Jaar van uitgave: 1640.
.

.
  Beschreven in:
a) De strijd om het Haarlemmermeer / Marc Hameleers. - In Geografie in Utrecht. - Utrecht, 1987
b) De oude plannen tot droogmaking van het Haarlemmermeer / scriptie van Corien Glaudemans. - Leiden, 1985
c) Haarlemmermeer, plankaarten van vroeg 17e eeuwse droogmakingsvoorstellen / J.W.H. Werner. - In: Caert Thresoor. 10e jrg. nr 1, 1991
p. 1 12
d) Haarlemmermeer 17e en 18e eeuwse voorstellen tot droogmaking : en historisch geografische studie en inventarisatie van kartografische bronnen / scriptie van J.W.H. Werner. - Amsterdam, 1981. - Oud collectienr. C 17 - OAR inv.nr. 1583.

.


  [down] Plan tot drooglegging in c.1647.  [up] 
Afb.(c) MDC
  Jan Adriaenszoon Leeghwater (1575-1650) was de grote man achter veel droogmakingen in de 17de eeuw. Ten zuiden van De Rijp bouwde hij in 1606 voor zichzelf de eerste achtkantige oliemolen met stamper.
Daarop volgde de droogmaking van de Beemster (1612), Dat was een zeer groot karwei waarbij ca. 7000 hectare, tot 3.50 meter diepte droog gemalen moest worden. Daarna volgden o.a. de:
.
Purmer (1622),
Wormer (1626),
Heerhugowaard (1631),
Schermer (1635), en nog vele anderen.
.
  Hij werd een man met visie: al in 1629 ontvouwde hij een eerste plan voor de droogmaking van het Haarlemmermeer. In 1635 werd dit gevolgd door een tweede, en in 1641 door een derde en laatste plan
dat werd neergelegd in het “Haarlemmermeerboek”. Het omvatte het bedijken van het Meer en het droogmalen in molengangen met maar liefst 160 windmolens, vanwege de diepte van het water.
.


  [down] Amsterdam in 1684.  [up] 
Afb.(c) Gem.Waterleidingbedrijf


  [down] Het Haarlemmermeer in c.1745.  [up] 
Afb.(c) MDC
  Er waren tal van redenen om aan drooglegging te denken. We noemen enkele van de belangrijkste. De belangrijkste reden is zonder meer dat er in 1836 een centrale landsregering bestond die ingrijpende besluiten kon nemen, ook als daartegen bezwaren bestonden bij gewesten of steden. Een dergelijk landsbestuur bestond niet ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
De overstroming van het gebied bij Sloten maakte weer eens duidelijk hoe afhankelijk de hoofdstad Amsterdam was van dergelijke gebieden voor de voedselvoorziening. Drooglegging van het Haarlemmermeer zou niet alleen een einde maken aan het overstromen van die land- en tuinbouwgebieden, maar daar ook vele hectaren nieuw land aan toevoegen. Dat was welkom omdat na de stagnatie in de achttiende eeuw de bevolking weer groeide in omvang.
.
  Overstromingen van het Haarlemmermeer bedreigden ook betrekkelijk nieuwe verharde wegen als die tussen Haarlem en Den Haag. Gedurende de periode van besluitvorming, die tot 1848 zou duren, kwam daar ook de spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem bij.
Om al die redenen, en andere, kon de drooglegging in 1848 beginnen. Daaraan was een aantal jaren voorafgegaan van twijfelen en studeren op vraagstukken als de financieringsvorm. Ook over de vraag of men windmolens dan wel stoommachines zou gebruiken bestond lang twijfel.
Het werd stoom.


  [down] Publicatie Min. van Binnenlandse zaken (c.1846)  [up] 
Afb.(c) RVD


  [down] Het Haarlemmermeer in 1852.  [up] 
Afb.(c) BRE
  Op 29 november 1836 was het weer raak. We bemerkten hoe een nauwelijks waarneembare wind aanwies "... tot zachten wind, die, al sterker en sterker geworden, van harden wind tot storm overging. Het was toen half één op den middag. De storm groeide aan en nam toe in kracht, tot dat hij een uur later den verwoestenden aard van een orkaan aannam.
.
  Drie uren achtereen duurde het noodweer, woest was de aanblik op het Haarlemmermeer. Als golfden er heuvels, zoo rolde de eene baar na de andere ...Ver in den omtrek, tusschen het geloei van den orkaan door, hoorde men het suizend gebruis van het wilde water, dat door rukwind op rukwind voortgezweept, al stouter en woester voorttuimelde, en kokend en klotsend tegen paalwerk en oeverkant aanstormde.
.
  De gevolgen logen er niet om. Door de zuidwesterstorm opgestuwd water overstroomde het gehele poldergebied tussen Sloten en Amsterdam. Oeverbescherming en polderdijken begaven het. De schade was enorm. Het werd erger. Nog geen maand later stak opnieuw een geweldige storm op, nu uit het noordoosten. Alsof het zo heeft moeten zijn, werden nu de polders aan de overkant van het meer blank gezet en stroomde het water door de laag gelegen wijken van Leiden. Ook hier grote schade aan oeverwerken, dijken en verharde wegen. De boeren waren persoonlijk het ergst getroffen. Ze hadden jaren nodig om deze klap te boven te komen.
Bij veel getuigen van de ramp overheerste het gevoel dat het nu maar eens afgelopen moest zijn. Het gevoelen dat het maar eens afgelopen moest zijn, was niet nieuw. Dat was eerder voorgekomen. Nieuw was dat er nu daadwerkelijk initiatieven in de richting van drooglegging werden ondernomen.

.


  [down] De drie Stoomgemalen in beeld gebracht.  [up] 
Afb.(c) RVD
  Voormalig stoomgemaal "De Cruquius" uit 1849 is een industrieel monument van wereldformaat. Samen met de stoomgemalen "Leeghwater" en "Lijnden" pompte de Cruquius van 1849 tot 1852 het Haarlemmermeer leeg en hield het daarna de Haarlemmermeerpolder droog. In 1912 werd de Cruquius reservegemaal, om tenslotte op 10 juni 1933 met een ceremoniële laatste pompslag buiten bedrijf te worden gesteld. Daarna stond de tijd voor de Cruquius stil. Op het nippertje ontsnapte dit unieke stoomgemaal aan de sloop, toen op 22 oktober 1934 Stichting De Cruquius werd opgericht die het oude gemaal onder haar hoede nam, in een museum omtoverde, en uiteindelijk, dankzij de hulp en inzet van velen, weer tot leven wekte.
.
  Museum De Cruquius spreekt een breed publiek aan. Het oude stoomgemaal vormt het absolute technische hoogtepunt van het romantische stoomtijdperk in Nederland. Niet voor niets is Museum De Cruquius dan ook ankerpunt in de Europese Route van het Industrieel Erfgoed (ERIH), een netwerk van de belangrijkste industriële erfgoedlocaties in Europa, en mag het het kwaliteitspredikaat "Geregistreerd Museum" voeren.
.
  De museumtentoonstelling toont stoomgemaal De Cruquius in zijn oer-Nederlandse context: de door de eeuwen heen nimmer aflatende strijd tegen het water.
.
Een greep uit wat er zoal in en aan het museum te zien en te beleven is:
.
De tentoonstelling
- Het voormalige stoomgemaal is gebouwd in neogotische stijl: het gebouw is een ode aan de Vooruitgang, het is rijk geornamenteerd en oogt als een middeleeuws kasteel: een verdedigingswerk, maar dan tegen het water. - De museumexpositie is ingericht met audiovisuals en toont kaarten vanaf 1550 tot 1852, diverse modellen van windmolens, wateropvoerwerktuigen, polders en sluizen. Zo toont het museum hoe de mens eeuwenlang met droge voeten onder de zeespiegel trachtte te leven. Een maquette met stromend water en golfslag maakt in één oogopslag duidelijk hoe Nederland er zonder dijken zou uitzien en wat er tijdens stormvloeden gebeurt. - Er zijn bewegende stoommachinemodellen die de ontwikkeling tonen van de "vuurmachine" tot de stoommachine. Spectaculair zijn verder de demonstraties met de oudste bewaard gebleven stoommachine van Nederland: stoomgemaal "De Arkelse Dam" uit 1826. - Voor jongeren van 5 tot 16 jaar is de tentoonstelling geïntegreerd met een stuk museumeducatie: interactieve cd-rom's voor scholen, speurtochten en lesbrieven, een verkleedkist en een stoompracticum.
.

.
De machinekamer
Absoluut hoogtepunt van elk bezoek aan De Cruquius is wel de machinekamer uit 1849. Hier staat 's werelds grootste stoommachine, met een cylinder van maar liefst 3,66 meter doorsnee! Deze reusachtige machine drijft acht balansarmen aan die elk 10.000 kilo wegen en als tentakels naar buiten steken, waar ze de zuigers van acht gigantische waterpompen in werking stellen: samen brachten die ooit bij elke slag van de stoommachine 64.000 liter water omhoog! Na een grondige restauratie die 20 jaar duurde, werd op 4 juni 2002 deze imposante machinerie door Kroonprins Willem-Alexander weer in beweging gesteld - zij het niet meer door stoomkracht, maar hydraulisch aangedreven - en sindsdien kan iedere bezoeker genieten van dit ontzagwekkende schouwspel en ervan onder de indruk raken, net zoals de vorsten die hen in vorige eeuwen voorgingen.
.
Rondleidingen
Bezoekers die het naadje van de kous willen weten of die in groepsverband het museum willen bezoeken, adviseren wij om een rondleiding te boeken, waarbij u kunt opgeven waar de interesse vooral naar uitgaat. Het museum zorgt dan dat u als rondleider een specialist krijgt die bij uw thema past. Kijk voor verdere informatie en prijzen op de informatiepagina onder rondleidingen. Rondleidingen kunt u telefonisch of via het webformulier aanvragen.
.
Jongeren en educatie
Voor de jongeren zijn er educatieve programma's, waaronder het stoompracticum, waar ze met modelstoommachines kunnen experimenteren en een heus stoomdiploma uitgereikt krijgen. En voor de kleintjes is er de verkleedkist: hiermee kunnen ze in de huid kruipen van de dijkgraaf of van machinisten, stokers, kolensjouwers, oliemannen en rattenvangers.
.
De museumtuin
De museumtuin was tot 1934 bedrijfsterrein van het stoomgemaal
soms worden er nog bodemvondsten uit die tijd gedaan. Het bedrijfsterrein was een weide, met een boomgaard van de naastgelegen dienstwoning van de hoofdmachinist (het huidige Theehuis). Na 1934 ontstond een romantische tuin in Engelse stijl, die na 1980 een "natuurlijk" park werd en tot een verwilderde tuin verviel. In 2005-2006 is de tuin zoveel mogelijk in de oude Engelse stijl teruggebracht. Het ogenschijnlijke "brok puin" dat in de tuin staat is in werkelijkheid een brok historie: het is een overblijfsel van de fundering van het "Keezending", een heel vroeg stoomgemaal uit 1787.
.
Het museum en de omgeving
Het museum en de omgeving ervan lenen zich uitstekend voor een dagje uit: op een paar passen afstand is er het Theehuis met een gezellig terras, en met "het pontje" kunnen voetgangers en fietsers gratis oversteken naar een bijzonder mooie wandel- en fietsomgeving. Vroeger al wist men museum en omgeving op waarde te schatten: "Een ieder, die het stoomgemaal binnentreedt, zal zeer zeker onder den indruk komen van hetgeen een vorig geslacht op bemalingsgebied heeft gewrocht en ook gewis bekoord worden door typisch Hollands natuurschoon, dat ter plaatse in zo ruime mate aanwezig is", schreef men in 1936.
.
De toekomst
Stilstand is achteruitgang. Een bekend spreekwoord dat zeker ook van toepassing is op Museum De Cruquius. Voor de komende jaren zijn er dan ook diverse projecten in de planning, vooral op het gebied van educatie. Ook zal er een ingrijpende restauratie worden uitgevoerd. Met dit alles wil het museum nog aantrekkelijker worden voor een nog breder publiek.
(de tekst is overgenomen van de website over De Cruquius)
Klik hier voor de link erheen


.


  [down]Stoomgemaal Cruquius op 7 oktober 2006.  [up] 
Afb.(c) RVD


  [down] Machinekamer Cruquius  [up] 
Met zijn rijkgeornamenteerde machinekamer, spitsboogramen,
zware steunberen, kantelen en het veelvuldig
gebruik van gietijzer is voormalig stoomgemaal
De Cruquius een uniek voorbeeld
van neogotische architectuur in Nederland
iets waarop we trots mogen zijn
Afb.(c) RVD


  [down] Gemaal Cruquius in close-up.  [up] 
Afb.(c) RVD


  [down] De grootste stoommachine ter wereld
staat in het Cruquius gemaal (anno 1848)
de zuiger meet 3.66 mtr doorsnede.
 [up] 
Afb.(c) RVD


  [down] Mechanisatie.  [up] 
Afb.(c) RVD
  We schrijven 1842. De commissie van beheer en toezicht tracht tot een ontwerp voor een stoomgemaal van 350 PK te komen, gebaseerd op de constructie en uitvoering van de stoomwerktuigen welke in Cornwallis, Engeland, worden gebruikt voor het uitpompen van water uit de mijnen.
Dit machinetype combineerde een hoog rendement met grote zuinigheid. De Engelse ingenieurs Joseph Gibbs en Arthur Dean leveren tekeningen van de gewijzigde zogenaamde Cornish Engine, niet op dompelaarspompen, maar op zuigpompen toegepast.
.
  De ingenieur van de Waterstaat J.A. Beijerinck (1800-1874) de jongere broer van Ir. M.G. Beijerinck (1787-1854), lid van de commissie van beheer en toezicht, maakt het bestek voor het gemaalgebouw.
De stijl van gemaal De Leeghwater en de beide andere gemalen is te kenmerken als vroeg neo-gotisch. Het is een fraai voorbeeld van het opkomen van de met name uit Engeland afkomstige industriele bedrijfsgebouwen-bouwtrant: monumenteel door toevoegingen, die niet direct functioneel zijn, maar wel het belang van het gebouw benadrukken.
Waarom Ir. J.A. Beijerinck voor dit ontwerp kiest is niet bekend. Dat neo-gotiek werd toegepast hangt overigens wel samen met met de Engelse technische origine van de plannen en het feit dat Koning Willem II een groot aanhanger was van deze in Engeland toen zeer populaire bouwtrant. Bovendien was deze stijl nieuw en modern en dat waren de gemalen toen immers ook.
De pompen worden door Dean, naar aanwijzingen van Lipkens ontworpen.
.

Het Haarlemmermeer in het heden

  [down] Al vanaf 1851 geen water meer.  [up] 
Afb.(c) Google
  Ruim honderdvijftig jaar geleden pompten stoomgemalen de laatste druppels water uit het Haarlemmermeer. Sindsdien heeft de gemeente een verandering doorgemaakt van een agrarische gemeenschap naar een open, moderne samenleving, waar mensen uit alle windstreken een thuis vinden.
-
  Rond het jaar 1500 bestaat Noord-Holland uit een groot aantal meren, van elkaar gescheiden door smalle stroken land. Een viertal plassen voegt zich begin zestiende eeuw samen tot het Haarlemmermeer. 'De waterwolf' is de bijnaam voor het nieuwe, grote water, dat tijdens stormen en overstromingen grote stukken land opslokt
complete dorpjes verdwijnen van de landkaart. In 1840 heeft het wateroppervlak zich verdubbeld tot ruim 18.000 hectare. Bij zware stormen reiken de golven tot aan de poorten van Amsterdam en Leiden.
De eerste plannen tot drooglegging dateren uit het begin van de zeventiende eeuw, maar pas tweehonderd jaar later wordt de daad bij het woord gevoegd. Drie stoomgemalen pompen in drie jaar en drie maanden tijd met 14 miljoen pompslagen 800 miljoen kubieke meter water in de daartoe aangelegde ringvaart. In 1852 komt de bodem van het meer in zicht.
-
  Het nieuwe land raakt voor 99% in handen van grootgrondbezitters. Het wordt bewerkt door pachters en zetboeren, dezelfde mannen die voorheen met schep en spade de 60 kilometer Ringvaart hebben uitgegraven en de Rijndijk hebben aangelegd. De arbeiders zijn afkomstig uit de directe omgeving, maar ook uit Friesland en het noordwesten van Noord-Brabant. Zij bouwen hun boerderijen zoals ze dat thuis gewoon waren. In de Haarlemmermeer zijn daarom nog steeds veel verschillende boerderijtypen te zien.
De pioniers hebben het moeilijk. De grond is vochtig en moeilijk te bewerken, ziektes eisen hun tol. De toch al schamele oogsten brengen door landbouwcrises weinig op. Pas na 1900 wordt het boeren beter. De Haarlemmermeerders krijgen hogere prijzen voor de producten, de meesten zijn nu ook eigenaar van de grond. Landarbeiders vestigen zich in de dorpjes langs de ringvaart, aangetrokken door goed betaalde seizoensarbeid. Deze voorspoed duurt tot eind jaren twintig.
-
  Na 1945 verandert de economische structuur van de Haarlemmermeer. Door de stormachtige groei van de burgerluchtvaart wint Schiphol snel aan betekenis
in 2003 neemt de luchthaven 15% van het gemeentelijk grondgebied in beslag. Haarlemmermeer krijgt in de jaren zeventig een functie als overloopgemeente voor stedelingen die op zoek zijn naar rust en ruimte. Door de uitbreiding van de luchthaven, maar ook de groei van de dorpen en de aanleg van industrieterreinen en infrastructuur, is er steeds minder grond voor landbouw. De werkgelegenheid in deze bedrijfstak neemt sterk af, maar het verlies aan banen wordt meer dan gecompenseerd door groei in andere sectoren. Aanvankelijk vinden mensen werk in van oorsprong Haarlemmermeerse bedrijven, later in ondernemingen die van elders komen, aangetrokken door Schiphol en de gunstige ligging van de gemeente ten opzichte van de rest van de Randstad. Ook internationaal opererende ondernemingen vestigen zich in Haarlemmermeer.
Anno 2005 telt de gemeente ruim 130.000 inwoners. Verspreid over 18.500 hectare liggen 26 woonkernen. De geschiedenis van de gemeente laat zien hoe mensenhand de weerbarstige natuur kan temmen en opnieuw vormgeven. Nog steeds zit Haarlemmermeer in dit dynamische ontwikkelingsproces.

.

Start Auteurs Bron Agenda Uitleg Actueel Vlootshow History Boek/Actie Reacties Links Zoeken
Verhalen Poelgeest Trekschuit Tolhuysch Postbrug Strandwallen Algemeen Boerhaave ZwarteTulp Keukenhof Manpadt Haarl_Meer
Leiden Oegstgeest Warmond Voorhout Noordwijk Noordw_hout Lisse Hillegom Vogelenzang Bennebroek Heemstede Haarlem

Bewerkt: zaterdag 3 november 2018